" Le Rois d'Ys " Luik 2008

Guiseppina Piunti als Margared en Werner van Mechelen als Karnac.

" Le Rois d'Ys " Luik 2008

Sebastien Guéze als Mylio en Gylaine Girard als Rozenn

" Le Rois d'Ys " Luik 2008

Eric Martin Bonnet als de koning, Senastien Guéze en Gulaine Girard

" Le Rois d'Ys " Luik 2008

" Le Rois d'Ys " Eduard Lola (1832-1892)

" Le Rois d'Ys l'Opera de Wallonie " 2008

Opera in drie bedrijven en vijf tonelen van Eduard Lalo.

Libretto van Eduard Blau gebaseerd op de Bretoense folklore.

Inleiding.

Lalo componeert " Le Rois d'Ys " tussen 1875 en 1878 door ingeving van zijn tweede vrouw, de alt Julie de Maligny die van Bretoense afkomst was. Het in productie krijgen was een andere zaak. Het werk werd afgewezen door het Théâtre Lyrique in 1878 en door de Opéra de Paris in 1879 ondanks enkele concert prestaties met zijn vrouw Julie als Margared, de rol die Lalo componeerde voor haar. Het zou nog bijna 10 jaar duren voor Lalo zijn werk op het podium zou krijgen, tot 1888 . Aan de Opéra-Comique, na de herbewerking die de componist had gemaakt in 1886. Van toen af kende het werk een ware triomf, zo gewild was het werk van Lalo dat na één jaar tijd zijn 100ste opvoering kreeg. Deze opera zou in de Franssprekende regio's een repertoirestuk blijven tot heden in de 21ste eeuw. Het werk heeft een lange ouverture, die in de concertzalen zeer grote bekendheid genoot en het enige fragment met uitzondering van de tenoraria van Mylio " Vainement, ma bien aimé ", is dat men in Nederland kent. Een van de voornaamste thema's is dat van Margareds grote aria, die ook wel sporadisch, op het concertpodium te horen is. 

Rolverdeling.                      Stem.                       Eerste cast.

De koning ----------------------------------- bas-chantante -------------------------------------- Kobalt

Margared, zijn dochter ------------------- mezzo of alt ------------------ Blanche Deschamp-Jéhin

Rozenn, zijn tweede dochter ----------- lyrische sopraan ------------------------ Cécile Simmonet

Mylio, een ridder ------------------------- lyrische tenor ------------------- Jean-Alexandre Talazac 

Karnac, een prins ------------------------ helden bariton --------------------------------- Max Bouvet

Sint Corentin ------------------------------ bas ------------------------------------------ René Fournetz

Jochel , heraut --------------------------- tenor ------------------------------------------------ Boussol

Tijd en plaats: de stad Ys, Bretagne in de middeleeuwen.

Akt.1 

1° Toneel:  een terras aan het koninklijk paleis te Ys, uitziend op de zee. De bevolking is in een jubelende stemming, daar men verwacht dat het huwelijk van één der princessen, Margared de oudste, met de naburige prins karnac een einde zal maken aan een oude vete. Op een oude Bretoense wijs zingt men  ( koor: " Les guerres sont terminées "). De heraut Jochel kondigt aan dat het schip van karnac de haven binnen loopt en de menigte begeeft zich ter verwelkoming daarheen. Margared komt nu op, met haar jongere zus Rozenn. Zij is treurig gestemd, omdat zij Karnac moet huwen. Terwijl zij haar hart aan een ander heeft gegeven. Rozenn poogt haar te troosten ( duet: " En silence pourquios souffris ") en vermoedt dat deze beminde wellicht hun jeugdvriend Mylio kan zijn, die naar andere landen vertrokken is. Margared bevestigt dit. Zij wordt door haar hofhouding opgehaald om naar Karnac geleid te worden, terwijl Rozenn achterblijft, ze geeft nu ook te kennen dat ze eveneens Mylio bemint, en ze er zeker van is dat hij zal terug keren. Hij komt dan ook prompt op het uitroepen van zijn naam te voorschijn, en vertelt haar dat hij met zijn metgezellen gevangen gezeten heeft, maar nu als winnaar terug gekomen is. Terwijl hij zijn metgezellen gaat halen, komt de koning op met Margared als bruid aan zijn hand en aan de andere zijde de prins Karnac, met zijn gevolg. Nu wordt hun oude vete officieel begraven, en de koning deelt mee dat hij afstand doet van de troon ten gunste van zijn oudste dochter Margared en haar gemaal. Het volk zweert zijn nieuwe vorsten trouw. Intussen deelt Rozenn Margared mee dat Mylio behouden is terug gekeerd. Ze had dit beter nog wat verzwegen. Margared is van dit bericht totaal van slag, zodanig zelfs dat ze het huwelijk met Karnac weigert. Karnac is nu ook buiten zichzelf van woede. Hij verklaart de koning van Ys opnieuw de oorlog en gooit hem zijn handschoen toe. De plotseling tevoorschijn komende Mylio neemt deze op en aanvaardt Karnacs uitdaging, tot grote vreugde van allen , die Karnac en zijn trawanten te lijf willen gaan, wat door Mylio en de koning verhinderd wordt.

" Le Rois d'Ys " duet tussen Margared en Rozenn (1957)

" Le Rois d'Ys " duet tussen Margered en Rozenn akt 1 . Rita Gorr als Magared en Janinne Micheau als Rozenn onder André Cluytens. (1957)

Akt.2

" Le Rois d'Ys " Werner van Mechelen als Karnac Luik 2008.

2° Toneel: een grote zaal in het paleis. De stad wordt belegerd door Karnac, Margared, staat voor het venster en ziet het slagveld bezaaid met soldaten. In haar grote ( aria: " de tous côtes j'aperçois dans la plaine ") , horen we hoe zij, bij het weerzien van Mylio, onmogelijk haar verplichting kon nakomen. Helaas echter is van dag tot dag gebleken dat hij haar liefde niet zal beantwoorden, omdat blijkbaar Rozenn zijn uitverkorene is. Zij verbergt zich nu achter een pilaar als haar vader met Mylio en Rozenn nadert. Mylio zal een uitval leiden en is vol vertrouwen op het succes daarvan, daar hij St.Corentin, de beschermheilige van Bretagne, daarom gebeden heeft. De koning belooft Rozenns hand indien hij als winnaar terug keert. Als Rozenn hem uit het venster een laatse vaarwel toeroept, komt Margared van achter de pilaar te voorschijn en zegt te hopen dat hij nooit terug zal komen.De scéne eindigt met een ( Tois-tois! tois-tois! Margared....") de oudste vol jaloezie en wraakgevoelens, de jongste vergevingsgezind en lichtelijk sentimenteel. Margared vertrekt met een onheilspellend " Adieu ".  

3° Toneel: Een grote vlakte en in de verte de skyline van de stad Ys. Op de voorgrond een kapelletje. Mylio wordt gehuldigd als de overwinnaar in de slag en verkondigt dat dit te danken is aan de interventie van St.Corentin, die in het kapelletje begraven ligt. Na ook deze heilige gehuldigd te hebben is het toneel vrij voor de verslegen Karnac, die de slag overleefd heeft, en de hel aanroept om hem te wreken. " De Hel hoort U " antwoordt een vrouwelijke stem. Het is Margared, die van achter de kapel te voorschijn komt en hem de mogelijkheid tot het nemen van revanche aanbiedt. Ze verraadt hem dat hij onverwachte bondgenoot heeft in de zee. De stad Ys ligt namelijk onder de zeespiegel en wordt beschermd door een dijk. Als die wordt doorbroken is de stad verloren. Margared begeeft zich naar de kapel en daagt St.Corentin uit nu zijn stad te beschermen. Het wordt plotseling donker en tot hun verbazing zien de samenzweerders hoe het beeld van St.Corentin zich beweegt. Meer dan dat, het spreekt een vloek over hen uit. Voor Margared is nog een kans overgelaten. Zij zinkt op haar knieën, terwijl Karnac zich dijkwaarts Spoedt.

" Le Rois d'Ys " aria " De tous côtes j'aperçois dans la plaine "

Rita Gorr in de rol van Margared met de Opéra de Paris. Onder de leiding van Gustave Cloëz.

Akt. 3

De huwelijk scéne uit " Le Rois d'Ys " 1967 l'Opéra de Paris Palais Garnier. Andreé Esporito, Jacques Mars en Alain Vanzo.

4° Toneel: een galerij in het paleis tussen de kapel en het appartement van Rozenn. Haar huwelijk met Mylio zal plaats hebben en naar Bretoens gebruik brengt de bruidegom zijn bruid ( een aubade: " Vainement, ma bien aimé ") . De bruid komt te voorschijn, terug met een Bretoense melodie op de achtergrond en ze gaan de kapel binnen. Terwijl daaruit de klanken van het " Te Deum " gehoord worden ontmoeten Karnac en Margared elkaar. Hij herinnert haar aan haar belofte, om hem te tonen hoe hij de dijk kan doorbreken. Margared twijfelt lang, maar haar jaloezie krijgt tenslotte de bovenhand en beiden snellen heen om hun wandaad te volbrengen. Het pas getrouwde kopel komt nu de kapel uit en zingt een ( liefdes duet: " A l'autel j'allais rayonnant ") . Een onheilspellend geluid weerklinkt in de verte en Margared komt binnen gesneld, hen aansporend zich in veiligheid te stellen, daar de dijk is doorgebroken en een vloedgolf nadert. Zij beschuldit Karnac van de misaad, maar zegt hem eigenhandig te hebben gedood nadat hij de daad had volbracht. Allen nemen nu de vlucht, de koning Margered tegen haar wil mee trekkend.

5° Toneel:  een vluchtheuvel bij de stad waarop de bevolking van Ys zijn toevlucht heeft gezocht. Het water stijgt nog steeds en dreigt ook deze groep overlevenden uit de stad te overspoelen. Margared verklaart dat het water zal blijven stijgen tot de schuldige zich zelf zal hebben geofferd. Zij maakt nu bekend dat zij aan de basis ligt van de ramp en dat ze dit samen met Karnac heeft beraamd en uitgevoerd. Een woedende menigte eist nu haar dood, ondanks de smeekbede om genade van Rozenn, Mylio en de koning. Margared maakt van de verwarring gebruik om naar het hoogste punt te klimmen en stort zich in zee. Op haar plaats verschijnt St.Corentin, die de menigte zegent, terwijl het waterniveau begint te zakken en het doek valt.

" Le Rois d'Ys " de aubade van Mylio " Vainement ma bien aimé " Joseph Rogatchewsky (1927)

Jean-Alexandre Talazac (1853-1892)

Blanche Deschamps-Jehin (1857-1923)

Cécile Simmonet

Max Bouvet (1854-1943)

Eduard Lalo (1832-1892)

Historische uitvoeringen.

Solisten van de première 1886. Blanche Deschamp, Bouvet,Talazac,Simmonet en kobalt.

We weten dat de productie van dit werk een moeilijke start heeft gekend omdat het twee keer voor een première werd geweigerd, hoewel de concertvoorstellingen voorafgaand om het werk te leren kennen niet de nodige aandacht kregen ondanks het publiekelijk succes. Volgens de critici was het werk moeilijk om te realiseren op het podium.

Maar na verschillende pogingen en volledig opnieuw bewerkt, lukte het Lalo toch zijn opera op het podium van de, Opéra-Comique te Parijs in de Salle du Chatelet, te krijgen op 7 mei 1888. Het werd een ware triomf zelfs zo dat binnen het jaar men de 100ste voorstelling kon vieren. De opera genoot in Europa ook aanzienlijk succes vooral in de Frans sprekende regio's. Internationaal noemen we uitvoeringen tot 1941 te Parijs en tellen we meer dan 500 voorstellingen. Na Genève tellen we voorstellingen  te Amsterdam, Antwerpen, Brussel en Gent. in 1889 en 1890 vinden we zelfs uitvoeringen in Rome; In Engeland vond al een première plaats op 17 juli 1901 in het Royal Opera House in Londen, merkwaardig wel omdat het nooit is herhaald. De opera beleefde zijn Amerikaanse première op 23 januari 1890 in het Franse Opera House in New Orleans, maar het duurde uiteindelijk tot 1922 voor een eerste opvoering aan de Metropolitan te New York met Rosa Ponselle als Margared en Benjamino Gigli als Mylio en Frances Alda als Rozenn werd gebracht. Dan werd het wat stil na WO I omdat dan de populaire componisten zoals Massenet en Puccini meer aandacht kregen. Dit zou terug veranderen na de jaren vijftig van vorige eeuw toen er in de Frans sprekende regio's terug prestigieuze projecten op touw werden gezet onder André  Cluytens en Michel Plasson in de 21ste eeuw.

Historische uitvoeringen in de lage landen.

Eduard Lalo, was eigenlijk in de eerste plaats een muzikant, violist en cellist en later ook dirigent en componist wiens instrumentaal werk wel vrij veel aandacht kreeg. Hij heeft in zijn ganse loopbaan eigenlijk maar drie opera's gecomponeerd, waarvan zijn derde opera " La Jacqerie " onvoltooid is gebleven en na zijn dood voltooid werd door A.Coquard een leerling van hem en voor het eerst is opgevoerd in Monte Carlo. Het werd een flop en het is bij die ene opvoering gebleven. Ook zijn eerste opera " Fierque " van 1866 won wel de derde prijs van het theatre Lyrique tijdens een uitgeschreven concours, maar is nu totaal vergeten. Maar zijn " Le Rois d'Ys is echter in Frankrijk en België nog altijd een repertoire stuk dat grote populariteit geniet. De première op 7 mei 1888 aan de Opéra-Comique onder de leiding van Jules Danbé met Blanche Deschamps-Jéhin, Cecile Simmonet en de tenor Talazac, de Belgische bariton Max Bouvet en de bas René Fourmetz in de hoofdrollen, heeft wel constant  repertoire gehouden. Op 5 februari 1923, tijdens de herdenkingsfeesten voor Lalo waren er al meer dan 500 voorstellingen van dit werk in Parijs opgevoerd onder Albert Wolf, met Brothier, Marthe Chenal, Antonin Trantoul en Henri Albers de grote Nederlandse bariton die in 1917 de Franse nationaliteit had aangenomen, Félix Vieullot en Louis Guétiot. Vooral de rol van Margared heeft vele voortreffelijke vertolkers gehad. Ook in België is het nog steeds een repertoirestuk aan alle grote operahuizen van " Opéra de Wallonie " Luik, de Muntschouwburg van Brussel, aan de " Koninklijke opera " van Gent. Met vertolkers zoals Rita Gorr, Luccienne Delveaux, Gy Fouché, Henri Legay, Gilbert Dubuc en Jean Laffont om er maar enkel van de velen te noemen.

Zoals met zoveel werken het geval is, bleef de populariteit wel beperkt tot de theaters van het eigen gebied. In Nederland hoorde men dit werk uitsluitend bij de Franse opera, men kent er tegenwoordig slechts de ouverture als zuiver instrumentaal werk. Ook in Amerika staat het op het repertoire van de Franse georiënteerde theaters zoals de Opera  van New Orleans, aan de Metropolitan, vind ik slechts vier uitvoeringen in 1922 en aan Covent Garden slechts een productie in 1901.

In Gent vind ik reeds een eerste opvoering op 16 januari 1889 met Laville als Margared, Dumont als Rozenn, Merrit als Mylio een tenor die te Gent zong van 1886 tot 1893, de bariton Soum, Pourret en Déjean en Dubois. Het heeft steeds repertoire gehouden tot de herneming in het speelseizoen 1956/57 met Armand Mistral, Lucienne Delveaux, Renée Varly, Solange Bonny, Vina Bovy, Marie Louise Hendrickx, Maria Balhant, Giriat Laroze, André Laroze, Gy Fouché, José Beckmans, Jean Prandy, Jean Laffont, Pierre Nougaro, Valère Blouse, de Nederlandse bas Arnold Van Mill, Richard Plumat en andré Mezamat in totaal 32 vertoningen. In 1973 vind ik nog een gastvoorstelling op 11 maart van de opéra de Wallonie, met Urbain, François en Razador, Alain Vanzo, Fontagnère, Giband en Rayol een voorstelling die ik life heb beleefd. De recentste productie is aan de " Opera de Wallonie " Luik van 2008 met Guiseppina Piunti, Gylaine Girard, Eric Martin-Bonnet, Sebastien Guéze, Werner Van Mechelen en Marc Tisson. 

Discografie en Cinégrafie.

1) 1943 onder Inghelbrecht met Ginette Guillamat, Gaston Michilletti, George Ravoux, Paul Godin, Lucien Novolo, verkrijgbaar op CD.

2) 1957 zeer mooie versie onder André Cluytens met Janine Micheau, Rita Gorr, Henri Legay, Jean Borthayne op Pathé -Emi.

3) 1973 onder Pierre Derveaux, met André Giuot, Jane Rhodes, Alain Vanzo, Robert Massard op Chant du Monde  (op Lp's).

4) 2008 op DVD video-life opname " Opera de Wallonie " onder Patyrick Davin, met Guiseppina Piunti, Gylaine Girard, Sebastien Guéze, Werner Van Mechelen en Eric Martin-Bonnet op Dynalmic 2014.

Blabnche Deschamps-Jéhin (1857-1923)

Blanche Deschamps-Jéhin als de moeder in Louise van Charpentier.

Blanche Deschamps-Jéhin, geboren te Parijs op 18 september 1857 en overleden juni 1923 was een Franse opera-alt die van 1879 tot 1905 in Frankrijk een vruchtbare carrière had. Ze bezat een rijkgetinte en flexibele stem met een breed vocaal bereik. Ze zong in tal van wereldpremières gedurende haar ganse carrière, met name in Jules Massenets " Herodiade " in 1881, maar tevens ook in Lalo's " Le Rois d'Ys " in 1888 en eveneens ook in " Louise " van Charpentier. Deschamps-Jéhin studeerde zang in Lyon en  Parijs voordat ze in 1879 haar pofessionele operadebuut maakt in  de titelrol van Ambroise Thomas's  Mignon " in de Muntschouwburg te Brussel. Ze bleef ook de volgende jaren aan dit operahuis zingen, in de titelrol van Jules Massenets " Herodiade " in 1881 en Uta in de wereldpremière van Ernest Reyers " Sigurd in 1884. Halfweg de jaren tachtig van de 19de eeuw ging ze naar Parijs waar ze tot het vaste gezelschap van de " opéra-Comique ging behoren, ze zou er meer dan een decenium blijven. Daar zong ze de wereldpremière van Eduard Lalo's " Le Rois d'Ys ", en Madame de La Haltière in de wereldpremière van Massenets " Cendrillon " (1899) en zong ze ook de moeder van Charpentiers " Louise " in 1900. Ze trad ook op aan de Opera van Monte Carlo waar ze titelrol vertolkte  in de première van Cesar Francks " Hulda " (1894) en ze creëerde er ook de barones in Massenets " Cherubin " (1905). In 1891 maakte ze haar eerste optreden in de parijse opera als Leonor in Donizetti's " La Favorite " , later zong ze ook Fides in Giacomo Meyerbeers " Le Prophete" en Amneris in Verdi's Aida. Ze zong ook nog Hedwige in Rossin's " Willem Tell ", Dalila in Saint-Saëns " Samson en Dalila ", Gertrude in Thomas ' " Hamlet " en Ortrud, Fricks en Verinique in de eerste uitvoering van Alfred Bruneau's " Mesidor" (1897). Op haar repertoire stond ook nog " Carmen ", Azucena , Brangäne en Erda in Siegfried. Ze zou afscheid nemen in Brussel in Zigeunerliebe van Fran Léhar (1905).  

Blanche Deschaps-Jéhin (1858-1923) en Leon David (1867-1962)

Blanche Deschamps-Jéhin zong meer dan tien jaar aan de Munt van Brussel. De historische fragmenten zijn uit " Samson en Dalila " , " Il Trovatore " en " Le Prophete " met het orkest van Monte Carlo onder de leiding van haar man Leon Jéhin. Leon David zong te Gent 1921/22. Bij hem zijn de historische fragmenten uit " Mignon ", " Werther ", Il Barbieri di Seviglia "en " Manon " . De historische opnamen zijn van tussen 1904 en 1908.

Mac Bouvet (1854-1943)

Max Bouvet (1854-1943)

Was een Belgische bariton met internationale uitstraling geboren in La Rochelle in 1854 en overleden in Parijs in 1943 en debuteerde met liederen " Les myrtes san flértries " , in het Eldorado concert-café in Parijs, van Nadand Faure.

Zij Opera-debuut was aan de " Opéra de Wallonie " in Luik in 1881 en trad even later terug te Parijs op in het " Théâtre des Follies-Dramatiques in de première van " Fan fan la Tulipes " in  de titelrol op 21 oktober 1883 en in 1883 gevolgd door " La fille de Madame Angot " en " l'Amour qui passe " en in " François les bas-bleus ".

Hij zou er ook debuteren de Opéra-Comique in " Le Barbier de Seville " als de Figaro in 1884 , hij zong ook Alfio in  " Cavaleria Rusticana van Mascagni, Oreste in " Iphigénie " en " Tauride " en Garrido in " La Navarraise " en de Hollander in Wagners " Fliegende Holländer ", Marcel in " La Bohéme " van Puccini, Albert in " Werther " van Massenet, Escamilio in " Carmen ", Ouirias in " Mireille " en Zurga in " Les Pêcheur des Perles ". Hij verzorgde ook verschillende gastvoorstellingen aan de Muntschouwburg te Brussel en ook aan Covent Garden in Londen van 1891 tot 1894 en  te Monte carlo in 1895 tot 1910. Aan  de Munt debuteerde hij als Wotan en  Siegfried in 1891 .

Vanaf 1905 doceerde hij zang aan het conservatorium van Parijs tot 1911. Ook in 1911 zou zijn laatste podium prestatie worden  aan het " Théâtre Gaité-Lyriques te Parijs in Don Carlos van Verdi hij zou er naast de legendarische Russische bas Feodor Challiapin zingen, die later een Russiche operalegende werd. Hij zou overlijden in Parijs in 1943. Tussen 1899 en 1906 zou hij 13 nummers opnemen allen op Edison cylinders waardoor ze nu uiterts zeldzaan geworden zijn , ze zijn allen digital gereconstrueert door Martinson records, een label die er in is gespecialiseerd  om cylinderopnamen weer luisterbaar te maken ook de " Lakmé " opname hieronder van 1902 is orgineel een cylinderopname. 

Max Bouvet (1854-1943)

Mac Bouvet Belgische bariton (1854-1943) een zeldzame opname uit " Lakmé " aria " ton doux regard se voile ". Opname van 1902

René Fournetz (1858-1926)

Rene Fournetz (1858-1924)

René Founetz was een Franse bas geboren als Jean-Antoine-René Fournetz in 1858. Hij studeerde zang aan het koninklijk Conservatorium van Parijs en, was er student bij Ernest Boulanger en Louis Henze Oben. Zijn operadebuut is aan de Opéra de Wallonie in Luik in 1877 en hij zal ook kort daarop debuteren aan de Franse opera van Antwerpen in 1878/79. Hij debuteerde aan de Opéra-Comique te Parijs als Laurent in  "Romeo en Julia " van Gounod in 1881. In 1892 zong hij aan de Opéra Paris in " Mefistopheles " van Berlioz en creëerde er verschillende rollen in " Samson en Dalila " van Saint Saëns, in Fredegonde, Helle, Briseis en Lancelot. Van 1889 tot 1891 zingt hij ook aan de Munt in Brussel waar hij mee " Salambo " van Reyer creëert. In 1906/07 zal hij zelfs te Gent gasteren.

In 1910 stopt hij met zijn podium carrière en gaat hij zich toeleggen op het muziekonderricht en als zangpedagoog. Ondanks  zijn pensioen zal hij toch nog een laatste keer mezingen in de productie van  " Don Carlos " van Verdi in 1911 samen met zijn collega Max Bouvet in het Théâtre de la Gaité de eerste Italiaanse versie voor Parijs.   In 1924 wordt hij nog geridderd met het " Le Legion d'Honeur " in mei, voor zijn ganse operacarrière. Hij zou echter overlijden te Parijs in 1926 op 68 jarige leeftijd. Hij heeft ook in de herfst van zijn loopbaan enkele sporadische opnamen gemaakt van Carmen als Escamilio ook uitgebracht op cylinderrollen waardoor die zeer zeldzaam zijn geworden .

Rene Fournetz " Le Caïd " opname 1902

Een van de vroegste nog beluistbare opnamen die ik van Fournetz heb terug gevonden uit " Le Caïd " van Thomas " Air de tambour-Major " een van de vroegste chellakplaten op 78 toeren langs één kant bespeeld ,dit is juist in de overgang van de wassen cilinderrollen naar de eerst akoestische opgenomen chellakplaten van 1902