A-X-Z van de opera .

De verklaringen van muzikale termen : in alfabetische volgorde. 

Dit zijn termen in de opera en de muziek die eigen zijn aan een specifieke technologische terminologie die we gebruiken in het beschrijven van opera's, operettes en musicals, maar die niet gaan over componisten of uitvoerders. Het zijn puur technische termen. 

We starten deze rubriek op met 64 termen en die is nu al uitgegroeid tot 101 muzikzale termen in alfabetische volgorde met de bedoeling een muzikaal woordenboek te ontwikkelen dat regelmatig kan bijgewerkt worden dus alle info is welkom op volgend mailadres : gilbertantheunis@outlook.com 

- A - 

A-capella:  meerstemmige koorzang zonder instrumenten. 

Adagio: langzame tempo aanduiding. 

Allegramènte:  vrolijk en opgewekt. 

Allegrètto: verkleinwoord voor allegro 

Allégro: betekend gewoon vrolijk, tempo is snel. 

Allemande: een dans in tweedelige maat met veel zestienden en een rustig tempo. 

Alt:  zowel een lage jongens- als vrouwenstem of als in een instrument bijvoorbeeld altviool. 

Amàbille: beminnelijk 

Amaramènte: bitter 

Amarezza: bitterheid 

Amore con:met liefde 

Amorévole:  liefelijk 

Ancora: nogmaals 

Andante: muziekstuk in een matig tempo. 

Andantino:  verkleinwoord voor andante. 

Appresionaro: hartstochtelijk. 

Aria: een solo voor een zangstem. In de eerste helft van de negentiende eeuw bestond de formele aria uit een recitatief, de eigenlijke aria werd soms gevolgd door een cabaletta of stretta. 

Atonaal: niet op een bepaald tooncentrum gebouwd, tonaliteit ontberend. 

Aubade: een serenade die echter 's morgens gebracht wordt een mooi voorbeeld, de serenade in de eerste akt van Rossini's " Il Barbière di Seviglia " is een aubade. Bekend is ook deze uit Lola's " Le Roi d'Ys " .  

- B - 

Bachanale:  drinkgelag. In de opera is dit een orgiatisch ballet. 

Barcarola: Venetiaans gondellied, later ieder bootlied. De bekendste barcarolle in de opera is die uit Offenbachs " Les Contes d'Hoffmann ". 

Bariton: mannelijke stem met een bereik tussen tenor en bas. 

Barok: muziekperiode ongeveer van 1600 tot 1750 van de late Montiverdi tot de dood van Händel gekarakteriseerd door het vaststellen van tonaliteit en toonsoorten in plaats van methoden als basis van muzikale structuur. Belangrijke componisten Vivaldi, Bach, Händel.

Baroksuite: een verzameling dansen ( in Bachs tijd ) erg gestileerd. men noemde ze ook partita. 

Bas: laagste mannenstem. 

Basso continio : de basis voor veel barokmuziek, waarin de baslijn en belangrijkste harmonieën door toetsen en één of meerdere strijkinstrumenten worden bespeeld. 

Belcanto:  letterlijk "schone zang ". De Italiaanse stijl van zingen, een zangcompositie waarin de schoonheid van de stemklank en de gaafheid van de techniek voor expressie en declamatie van het woord belangrijk is. 

Berceuse: een wiegenlied. Wordt echter ook gebruikt voor ieder ander lied waarmee iemand in slaap gezongen wordt zoals dat van de vader in Charpentiers " Louise ". 

Bis: Franse uitroep om een herhaling van een aria of ander muziekstuk te verkrijgen. 

Bolero: Spaanse dans in driekwartsmaat, komt als aria in vele opera's van Verdi voor onder andere in Verdi's " I Vespri Siciliani ". 

Brindisi: een drinklied, kan zowel een aria, een duet of een ensemble zijn zoals in Verdi's " La Traviata " . 

Buffo (Buffa) : Italiaans voor komisch. Een opera buffa is dus een komische opera; een bas-buffo is een komische bas. 

- C - 

Cabaletta: oorspronkelijk een korte aria in vlug tempo, met meer den één herhaling. Van Rossini tot Verdi echter het vlugge laatste deel van een formele aria (soms gescheiden door een recitatief of koor ) waar de zangeres of zanger met bravoure haar of zijn virtuositeit kan tonen, in contrast met de voorgaande lyrische hoofdaria. Voorbeeld: in de grote aria van Eléazar " Rachel quand du seigneur " aaneengeschakeld met een koor naar het cabaletta " " Dieu m'eclaire, fille chére " uit Halévy's " La Juive " . 

Cantabile: in de Italiaanse opera het laatste deel van een tweedelige opera, meestal in snel tempo om een gevoel van stijgende opwinding te creëren. 

Cantato: een vocaal model vaak meerdelig hoewel het in verschillende gedaanten voorkom , meestal met religieuze thema's, het meest kenmerkend zijn die van Bach met hun mengeling van koren en solostukken. 

Canzonetta: een liedje bijvoorbeeld: " Voi che sapeté " in Mozarts " Le Nozze di Figaro " 

Castrato: of castraat is de naam voor de seksloze stemmen die in de 18°eeuw vooral in de mode waren. Het waren meestal koorknapen die, ontmand, hun quasi vrouwelijke stem behielden. Aan dit timbre echter paarden zij veel grotere kracht met een enorme ademtechniek. Hun hoogtepunt bereikten ze in Händels tijd. In de 18° eeuw werden haast alle heldenrollen gezongen door castraten, sopranen en alten waaronder Caffarelli, Farinelli, Guadagni en Senesino de beroemdsten waren. Hun hegemonie duurde echter korter dan een eeuw. Tegen het einde van de achttiende eeuw waren zij vrijwel geheel van het operatoneel verdwenen en gezien er geen castraten meer waren werd er dan ook niet meer voor gecomponeerd. Alessandro Mareschi wordt algemeen gezien als de laatste castraat. 

Cavatine: een korte aria, in één deel, in tegenstelling met de negentiende eeuwse aria van Figaro " Largo al factotum " in Rossini's " Il Barbiere di Seviglia " dit is dus een cavatine. 

Chromatiek: muzikaal gekenmerkt door het gebrek van naast gelegen 1/2 tonen, in melodieën. Het tegenovergestelde van diatoniek dat vasthoudt aan de basis van akkoorden en intervallen van de toonladder. 

Coloratuur: term om een beweeglijke ornament in de zangmuziek aan te duiden. Iedere zangstem moet dus coloraturen kunnen zingen tot de bas toe. De term coloratuur-sopraan voor een zéér hoge Soprano leggiero is dus fout. Hij kwam echter in gebruik toen op het eind der negentiende eeuw vrijwel alleen deze stemsoort nog coloratuur zong.   

Comique:  Franse term voor het Italiaanse " Buffa ". Toch is er een groot verschil tussen een " opera buffa " en een "opera comique ". Deze laatste hoeft niet komisch te zijn van inhoud, deze term betekent dat men in een opera comique gebruik maakt van gesproken dialogen. " Il Barbiere di Seviglia " van Rossini is een mooi voorbeeld van een opera Buffa. In Italië worden de aria's aan elkaar gezongen met recitatieven ( een soort gezongen parlando begeleid met klavecimbel of cello ). In de Opera Comique  van Parijs zal in deze opera de aria's aan elkaar gesproken worden met gesproken dialogen. 

Contrapunt: het spel van melodie en tegenmelodie, dat in de 15de en 16de eeuw vooral in de Nederlanden en Noord-Frankrijk zich ontwikkelde. Tot het strenge contrapunt behoren " fuga " en " canon ", vrij contrapuntisch is bijvoorbeeld de " Passacaglia ". Om het verschil tussen contrapunt en homofonie enigszins te begrijpen, kan men het best een koraal van Bach waarvan de onderstemmen ook melodisch zijn, vergelijken met de gebruikelijke wijze waarop de Protestantse psalmen geharmoniseerd zijn, met slaafse akkoorden onder de melodie. En nu in mensentaal: wat heeft dat met opera te zien ? Contrapunt is in de opera de vergelijking tussen vraag en antwoord. De vraag is het " thema " en het antwoord " is het contrapunt. Van daaruit is een opera ontstaan en opgebouwd.     

- D - 

Da Capo: Italiaanse term voor bis. ( het herhalen van een aria ). 

- E - 

Entr'acte: muzikaal tussenspel tussen twee opera akten. Tegenwoordig is dit meer een pauze

tussen twee bedrijven door. 

- F - 

Falsetto:  vrouwelijk klinkende hoge tonen van een mannenstem, voortgebracht door middel van de valse stembanden. In Italië scherp veroordeeld, maar in Frankrijk voor bepaalde lyrische effecten zéér gewaardeerd. 

Festspiele:  deze term heeft betrekking op operawerken (meestal een reeks zoals de " Ring des Nibelungen " van Wagner ) meestal een reeks werken die tijdens feestelijkheden  in een korte periode na elkaar worden  opgevoerd zoals op hedendaagse festivals, zoals Bayreuther Festspiele, Festival van Vlaanderen en Salzburger Festspiele enz.... 

Finale: het slotstuk van een opera, maar ook tevens het laatste deel van een akt, doorgaans met een groot ensemble kwintet of septet. 

Fioriture: versieringen (zoals coloratuur) . In de achttiende eeuw werd het aanbrengen ervan aan de uitvoerder overgelaten om met zijn zangtechniek te kunnen pronken (film " Farinelli "). Rossini begon deze nauwgezet voor te schrijven zodat de overdreven toonladders door sommige vedetten aan banden werd gelegd. 

- G - 

Gavotte:  oude Franse dans in vierkwartsmaat beginnende op de derde tel. 

- H - 

Habanera:  langzame Spaanse dans in twee kwartsmaat, de beroemdste habanera is deze in Bizets " Carmen ". 

- I - 

Imitando:  nabootsend 

Imitatie:  nabootsing kan streng zijn d.w.z. de ene stem bootst de andere geheel na, dit is het geval in een canon. 

Impetuôso:  ontstuimig. 

Inocenté: onschuldig. 

Intermezzo:  Italiaans voor de Franse term entr'acte . In de achttiende eeuw was dit ook de benaming van korte komische opera's die tussen de akten door van de grote opera seria werden opgevoerd vooral in Napels. De meest gekende daarvan is in Pergoleri's " La Serva Padrona ". 

Instrumentatie:  (ook orkestratie) hieronder  verstaat men de kunst, de timbres van de verschillende orkestinstrumenten te mengen en tegen elkaar uit te spelen. Met de geleidelijke uitbreiding van het orkest is de instrumentatie steeds gecompliceerder geworden. In het begin van de twintigste eeuw gaat men de instrumentatie zelfs gebruiken als masker voor op zichzelf bestaande onbeduidende muziek. Dat de instrumentatie een secundaire factor was , blijkt uit de werkwijze van vele componisten sedert het begin van de negentiende eeuw , zij maken eerst een schets van de melodie en harmonische verloop der compositie en gaan  dan pas instrumenteren. Voorbeeld: Moussorsky's meesterwerk " Boris Godounov " had een zwakke instrumentatie of orkestratie en werd verschillende keren door Rimski-Korsakov opnieuw georkestreerd, de definitieve versie dateert van 1908.  

- J - 

Jota: snelle Spaanse volksdans in 3/8 en 3/4 maat wordt meestal gezongen . Voorbeeld: de zeven Spaanse volksliederen van Manuel de Falla. 

- K - 

Kammersänger(in):  Duitse eretitel voor verdienstelijke zangers of zangeressen, vroeger verleend door de vorst en later door de staat. 

- L - 

Leitmorief:  een motief dat een bepaalde figuur of situatie muzikaal omschrijft of karakteriseert. Door Wagner systematisch gebruikt voor de opbouw van zijn werken.

Legato: deze Italiaanse muziekterm betekend letterlijk gebonden . Legato is een speelswijze waarbij de muzieknoten zo worden gespeeld of gezongen dat ze in elkaar overvloeien en naadloos aaneengelast klinken.

Libretto: Italiaans voor tekstboek. 

- M - 

Madrigaal:een a cappella werk op een wereldlijke tekst. Het madrigaal bloeide in de 16 de eeuw, vooral in Italië en Engeland. Beroemde madrigaal componisten waren , Monteverdi, Gusualdo da Venosa, Thomas Morley, Thomas Weelkes, John Dowland en Orlando Gibbons. 

Maestozo: met majesteit; het woord is meestal verbonden met tempovoorschriften. Zelfstandig geeft het aan langzamer te zijn dan andante. 

Magnificat:  een lofzang van Maria. 

Melodrama:  opera scéne waarin het gesproken woord door het orkest muzikaal wordt ondersteund een beroemd voorbeeld in Beethovens " Fidelio ". 

Mezza-voce: halve stem Italiaans voor ingehouden zacht zingen. 

- O - 

Ouverture:  instrumentaal voorspel van een opera of operette, in Italië bleef lang de oorspronkelijke benaming symfonia bestaan. De vorm van de Italiaanse ouverture zoals die door Alexandro Scarlatti werd geïntroduceerd, was vlug-langzaam-vlug . Gluck was de eerste componist die verband bracht tussen de stemming van de ouverture en de opera die er op volgde. Nog later werden er soms melodieën of motieven in verwerkt uit de daarop volgende opera die dan herkenbaar terug kwamen. 

- P - 

Parlando:  gesproken passage. In de Italiaans opera komt dat weinig voor, daar men hier gezongen recitatieven gebruikt. De Franse opera-comique en, het Duitse Singspiel bevatten echter lange gesproken passages.  

Pasticcio:  is een opera die is samengesteld van andere opera's al dan niet van fragmenten van  dezelfde componist . Alhoewel men heden dit niet meer doet is daar toch nog een voorbeeld van , de operette " Wiener Blut " is samengesteld uit fragmenten van diverse Strauss-operettes dit wel met de toestemming van de componist. Nog een voorbeeld " Das Dreimädelhaus " is een pasticcio op muziek van Schubert. 

Polonaise: Poolse dans in driekwart maar. 

Prelude: kort instrumentaal voorspel van een opera of een akte zonder afsluiting overgaand in de actie. 

Prima Donna: Italiaans voor eerste dame. Eerste zangeres of sopraan van een opera- of operettegezelschap. 

- Q - 

Quinton:  een achttiende eeuwse Franse viool met vijf snaren. De " Société des instruments anciens " heeft het instrument weer in de hedendaagse muziekbeoefening ingevoerd. 

- R - 

Recitatief:  de Italiaanse opera kende aanvankelijk recitativo secco en recitativo accompagnato. Het eerste alleen met klavecimbel, cello, gamba, of met fagot begeleid, zonder melodische betekenis (parlando) , het tweede was met orkestbegeleiding met een melodische vocale lijn voorbeeld: in Il Barbiere di Seviglia " van Rossini zijn de recitatieven (de parlandozang) met clavecimbel begeleid.  

Ritornello: Italiaanse kleine herhaling tussen korte instrumentale passages van twee vocale delen van een aria. 

Romance: ééndelige aria, vaak met herhalende inhoud. 

- S - 

Serenade:  lied dat onder het raam of balkon word gezongen  van geliefde of minnaar. Voorbeeld de aria uit Mozarts " Don Giovanni " , " Deh vieni alla finestra ". 

Seria: de opera seria uit de achttiende eeuw was de toen formele ernstige opera, die een onveranderd antiek onderwerp had, maar aan zeer strenge regels moest voldoen. De opera Buffa was hierop een tegenreactie. 

Siciliana:  een muzikale vorm oorspronkelijk een Siciliaanse das in twaalfachtste of zesachtste maat meestal in een mineur gedragen tempo, komt herhaaldelijk voor bij Händel, Pergolesi enz..... 

Singspiel: De Duitse tegenhanger van de Franse opera comique. Het verschil met de operette zit vooral hierin , dat daar de handeling voornamelijk in het parlando geschiedt, en de muzikale nummers er rustpunten in zijn. Bij het Singspiel gaat de handeling ook in de muzikale nummers door, en wordt de parlando van ondergeschikt belang. Een beroemd singspiel is Mozarts " Bastien und  Bastienne ", dat Mozart schreef op 12 jarige leeftijd en algemeen aangenomen wordt dat dit zijn eerste werk zou zijn, maar geruchten zijn dat hij " La finta Semplice " nog vroeger zou geschreven hebben maar niet is opgevoerd en Bastien und Bastienne wel. 

Sortita:  achttiende-eeuwse benaming voor de entrée-aria van een zanger of zangeres .In Italië nog steeds in gebruik mooi voorbeeld is Figaro's " Largo la factotum ". 

Sprechgesang:  door Richard Wagner uitgevonden benaming voor zijn latere doorgecomponeerde zangstijl, waarin de zangstem declamatisch wordt en het orkest de zin van het muzikale onderstreept of verheldert. 

Stretta: een andere benaming voor cabaletta, er is echter wel een nuance verschil, stretta is nog strijdvaardiger dan een cabalette een beroemde stretta in Verdi's " Il Trovatore " , " Di Qualla Pira ". 

Synopsis: is een woord afkomstig uit het Grieks, en letterlijk betekent dit. " Samen(ge)zien, dat wil zeggen dat men in één oogopslag de inhoud kan zien. In de huidige betekenis is dit een overzichtelijke of een summiere samenvatting van een inhoud van een boek,film of een toneelstuk. 

- T - 

Terts: toonafstand tussen die naast elkaar liggende noten, grote terts = twee gehele    noten / kleine terts =1 gehele noot + 1 halve noot. 

Tessituur: (1) omvang van een stem of instrument - (2) gemiddelde toonhoogte van een bepaald stuk in verhouding tot de omvang van de stem of instrument waarvoor het is geschreven . 

Timbre: klankleur 

Tonaliteit: algemeen begrip voor toonaard toongeslacht, melodisch een toonreeks rondom een tonaal centrum. 

Toonaard: aard of karakter van een tonaliteit. 

Toonafstand - interval: afstand in toonhoogte tussen twee willekeurige noten ( ook dekonde, terts, kwart, kwint, sext, septiem en octaaf) in de westerse muziek onderscheidt men gehele en halve tonen. 

Toongeslacht: toonafstanden voorkomend in de verschillende toonaarden ongeacht hun plaats op de toonladder. 

Toonhoogte: hogere of lagere klank van een noot volgens de frequentie. 

Toonladder: trapsgewijze stijgende of dalende toonreeks, uitgaande van een willekeurige grondtoon tot zijn herhaling in het hogere of lager octaaf. 

Toonsoort: aanduiding van grondtonen van een tonaliteit, het tonale centrum. De toepassing van de toongeslachten majeur of mineur op elke toon van het toonstelsel, hier in de Nederlandse termen. C groot, c klein, Cis groot, cis klein, Des groot, D groot, d klein, Es groot, es klein, E groot, e klein, F groot, f klein, Fis groot, fis klein, Ges groot, G groot, g klein, As groot, as klein, A groot, a klein, Bes groot, bes klein, B groot, b klein.  

Transponeren: een kompositie in een andere toonsoort spelen dan de originele.  

Twaalftoon muziek: door Schönberg ingevoerd komponeersysteem, waarin de 12 tonen van het octaaf alleen met elkaar en niet met een tooncentrum in verband staan. 

- U - 

Ukelele: het kleinste model van de gitaarfamilie 

- V - 

Verismo: de naturalistische stroming in de Italiaanse opera (later ook in andere landen) die in de muziek de nevenknie vormt met de literaire stroming van Zola en anderen. Mascagni's " Cavaleria Rusticana (1890) wordt algemeen als eerste veristische opera beschouwd. Alhoewel door Verdi in 1853 deze richting reeds was ingeslagen met zijn " La Traviata ", dit was toen reeds een opera met eigentijdse inslag van de componist. Deze stroming werd voortgezet door Leoncavallo, Puccini en Cilea en ook onder de Franse componisten Bizet en Gounod, Charpentier enz.... Alle veristische opera's hebben een sterk dramatische inhoud en geven meestal een streng maatschappij beeld terug.   

- W - 

Wals: een ronde dans in driekwart maat, vroeger de langzame wals. De Weense wals was oorspronkelijk matig langzaam, vanaf 1889 versnelt het tempo. De walsen van Lanner , Strauss of door andere Weense componisten  waren als dansmuziek bedoeld deze van Schubert, Weber en Chopin niet.

- X - 

Xylofoon:  een slaginstrument dat bestaat uit een reeks hard houten staafjes van verschillende lengte die met lepelvormige stokjes worden aangeslagen. 

- Y - 

Yüm Lo:  Chinees gongspel.  

- Z - 

Zarzuela:  Spaanse opera-of operettevorm die alleen tot Spanje en tot Latijns- Amerika  beperkt bleef. Beroemde componisten waren Chapi, Berton, Vives, Chueca, Torroba en De Falla.

19 Videoclips met historische opnames van Belgische operasterren:

De inzet België

Fernand Ansseau.

André D'Arkor.

Vina Bovy.

Armand Crabé.

Clara Clairbert

Jan Danckaert

Hilda De Groote

Rita Gorr

Jean Noté I

Jean Noté II

Louis Richard.

Joseph Rogatchewsky.

Marco Stecchi I

Marco Stecchi II

José Van Dam.

Lucien Van Obbergh.

 

500 jaar - toneel - Gent : ( foto album )

 

Diashow met 21 potlood tekeningen van kunstenaar Etienne Hubleau met begeleidende tekst uit de kunstmap van het " Documentatiecentrum voor Dramatische " kunst Gent.

 

Drie foto albums:

 

- Negentiende eeuwse diva's Gent.

 

- Twintigste eeuw diva's Gent.

 

-Operadiva's van de 21 ste eeuw.