" Il Signor Bruschino "

" Il Signor Bruschino "

" Il Signor Bruschino "

" Il Signor Bruschino "

" Il Signor Bruschino "

" Il Signor Bruschino "

Eerste volledige opname van " Il Signor Bruschino " met Sesto Bruscantini 1951

Een opera in één bedrijf door Gioachino Rossini.

Libretto van Giuseppe Toppa.

Inleiding.

Dit is één van de vroege jeugdwerken van Rossini. Zijn eerste werken waren éénakters, waarvan de allereerste " La Cambiale di Matrimonio " was. Er zouden er nog zes volgen voor hij in 1813 in januari zijn " Il Signor Bruschino " in première liet gaan, omdat Rossini verplichtingen had tegenover het " Teatro San Mosé ".  De impressario van het theater had bij Rossini er al herhaaldelijk op aangedrongen dit werk op te leveren. Maar Rossini was terzelfder tijd nog aan twee opera's aan het werken: zijn " Tancredi " en zijn " l'Italina in Algerie " die ook in 1813 in première zouden gaan. Het was dus voor Rossini een heel belangrijk jaar want één van zijn grootse belangrijke werken moest voor zijn doorbraak zorgen op het operaplatform. " Tancredi " ging in première in een van de belangrijkste theaters uit de regio " Teatro La Fenice ". In zijn jeugdjaren was Rossini bijzonder productief hij zou tussen 1813 en 1816 niet minder dan zes grote werken creëren.

Door het herhaaldelijk aandringen van de impressario van het " Teatro San Mosé " was Rossini wel op zijn tenen getrapt en moest de buitenwereld het wel merken dat hij daar mee verveeld zat. Hij zou ze dan ook lik op stuk geven. Het begint al met de ouverture die één van de geestigste is die hij ooit componeerde. De tweede violen tikken met hun strijkstokken op hun lessenaren en moesten bepaalde passages met de achterkant van de strijkstok spelen. Maar ook de opera zelf zat vol verrassingen. De bassen zingen in een uitzonderlijke hoge ligging. De grootste poets bakte hij de eerste tenor die er op stond dat hij de titelrol in het werk zou krijgen " Signor Bruschino Junior " , die komt maar pas ten tonele enkele minuten voor het einde van de opera en bestaat enkel uit de woorden " Padre mio, soue pentito ". Het publiek, voelde dat ze bij de neus werden genomen en lieten dit dan ook duidelijk blijken. Het werkje werd vlug vergeten en de anekdotes gingen er hun eigen leven lijden. Tot het veertig jaar later de aandacht zou wekken bij Jacques Offenbach, en hij de toelating kreeg van Rossini om het te verwerken voor een voorstelling in zijn " Bouffes Parisienne ". De verdere geschiedenis van dit uitzonderlijke mooi jeugdwerk lees je dan in de rubriek " Historische voorstellingen " en ook hoe het tot in onze regio is geraakt in de Nederlandse schouwburg van Antwerpen.  

Rolverdeling.                        Stem.            Vlaamse cast 1955.

Sofia ------------------------------------------------ sopraan ----------------------------- Berthe Van Hyfte 

Gaudenzio, haar voogd -------------------------- bas-buffo -------------------------- Edward De Decker

Bruschino senior ---------------------------------- bariton-briljante ----------------------- Bert Roelant

Bruschino Junior ---------------------------------- tenor --------------------------------------- Jan Loyers

Florville -------------------------------------------- lyrische tenor ---------------------------- Jean Villard

Politiecommisarisch ------------------------------ bariton -------------------------------- Frans Meesters 

Filiberto, herbergier ----------------------------- bas ----------------------------------- Herman De Rydt

Mariana, kamermeisje --------------------------- mezzo-sopraan --------------------- Heriette Mandel

Plaats en tijd: Italië 1820

Synopsis.

De vestibule van Gaudenzio's huis, met terras dat uitkijkt op een park. Florville hoort van de kamenier Marianna dat de brief die hij Gaudenzio gestuurd heeft te laat is gekomen. Hij is namelijk  een zoon van de vroegere vijand van Gaudenzio, maar daar zijn vader gestorven is heeft hij Gaudenzio geschreven  en hem de hand gevraagd van zijn pupil Sofia. Florville hoort nu van Marianna dat Gaudenzio, Sofia met de zoon van een zekere Bruschino verloofd heeft. Sofia deelt hem echter mee dat noch zij, noch haar voogd, deze jonge man ooit gezien heeft en dat brengt hem op een gedacht. Op de stoep van het huis ontmoet Florville de herbergier Filberto, hij spreekt hem aan, zeggend dat hij in dienst bij Gaudenzio is. Hij hoort dan dat de jonge Bruschino momenteel in diens herberg logeert waar hij dikke schulden heeft gemaakt. Hij komt Gaudenzio een brief van Bruschino junior brengen welke hij aan diens vader moet overhandigen. Florville zegt dat hij een neef van Bruschino is, betaalt de helft van diens schulden af, en neemt de brief in ontvangst, hij raadt de herbergier aan de jongen achter slot en grendel te houden, tot dat de rest van de schuld is betaald. Florville neemt zich voor om zich voor Bruschino uit te geven en Marianna in het complot te betrekken. 

Gaudenzio komt nu op en verheugt zich over de goede bruidegom die hij voor zijn pupil gevonden heeft ( aria: " Nel teatro del gran mondo" ) Hij vindt het echter vreemd dat de jonge man zijn opwachting nog niet heeft gemaakt. Intussen heeft Frorville aan  Marianna een brief gegeven die zij aan Gaudenzio moet overhandigen. Hij is afkomstig van Bruschino Senior, maar geschreven door Florville, waarin hij vertelt dat zijn zoon een losbol is die schulden gemaakt heeft. Hij verzoekt Gaudenzio hem te willen arresteren en sluit een portret van zijn zoon in ter identificatie. Het portret is dat van Florville, die ook even later door Gaudenzio's knecht wordt binnen gebracht daar hij juist een bezoek wilde brengen. Hij geeft voor berouwvol te zijn, en haalt nu de onderschepte brief van de echte Bruschino te voorschijn. Gaudenzio is aangedaan door zijn deemoedig optreden en kiest zijn partij. Als Bruschino senior woedend opkomt omdat hij van de herbergier over de uitspattingen van zijn zoon gehoord heeft, probeert Gaudenzio vader en zoon te verzoenen. Hij zegt dat Bruschino junior in zijn  huis vertoeft, Bruchino senior wil hem spreken, waarop Florville te voorschijn komt. Natuurlijk zegt Bruschino senior direct dat dit zijn zoon niet is en dat hij hem niet kent. Gaudenzio is er van overtuigd dat dit pure koppigheid is, te meer daar Florville de oude man als zijn vader aanspreekt. Bruschino komt tot de conclusie dat zowel zijn gastheer als de vreemde jonge man gevaarlijk krankzinnig zijn, en doet net of hij het spelletje meespeelt. Zodra Bruschino senior echter de kans krijgt gaat hij de politie halen. Dit heeft een bijzondere ongunstige indruk op Gaudenzio gemaakt, en deelt Sofia mee dat zij maar moet proberen, de oude heer te overhalen zijn toestemming tot het huwelijk te geven. Sofia doet dat in haar ( aria: " Ah, voi condur volete "). Bruschino senior heeft echter de politiecommissaris gehaald, die zal pogen de zaak op te lossen. Hij doet dat door Florvilles handschrift te vergelijken met dat van de brief. Natuurlijk is dit hetzelfde. Dus is het Bruschino's zoon, dat is de uitspraak van de commissaris. Bruschino is nu buiten zich zelf. Tot overmaat komt nu ook de herbergier Filiberto de rest van zijn geld opeisen . Bruschino vraagt hem te getuigen wie hem dat geld schuldig is, en natuurlijk wijst de waart Florville aan. Iedereen is er nu van overtuigd dat de oude Bruschino ook gek is. Helaas voor Florville laat hij Bruschino alleen met de herbergier zonder dat hij deze betaald heeft. De herbergier spreekt  Bruschino aan voor zijn geld, en deze zegt dat hij 't maar aan zijn zoon moet vragen, die net de deur uitgaat. Zo hoort hij dat het helemaal zijn zoon niet is, en dat deze gevangen zit in de herberg. Er gaat hem nu een licht op. Hij verstopt zich en hoort  een alleenspraak van Florville of ( in een opera-buffa is alles mogelijk) waardoor hij te weten komt dat die de zoon van Gaudenzio's vroeger vijand is. Het is een goede wraakneming Sofia dan met deze knaap te laten trouwen. Hij doet nu net of hij zijn zoon herkent, sluit hem in zijn armen, en geeft zijn volle toestemming voor het huwelijk, dat door Gaudenzio wordt gesloten. nauwelijks is dit gebeurd of Filiberto maakt zich nu bekend, en na veel vijven en zessen legt Gaudensio zich bij de zaak neer.

Historische uitvoeringen. 

De jeugdwerken van Rossini waren allen éénakters. De eerste was " La Combiale di Matrimonio " (1810) geschreven voor het " teatro San Moré " in Ventië er volgen nog " l'Eguiroco Stravagante (1811) en l'Ingarmo Felice (1812) , " Ciro in Babilonia " en " La Sala di Seta " in (1812) en er volgen er nog twee in dat zelfde jaar " La Pietra di Paragone en l'Occasine fa il Ladro ". Op het ogenblik dat hij " Il Signor Bruschino " moest opleveren was hij nog terzelfder tijd aan twee grotere werken bezig zijn " Tancredi " en " L'Italiana in Algeri " waardoor hij in tijdnood kwam om zijn " Bruschino en Tancredi " op te leveren begin 1813. Zijn " Il Signor Bruschino ging in première  in januari 1813 en 14 dagen later zijn " Tancredi " op 6 februari in het belangrijke opera huis het " Teatro La Fenice ". " Teatro San Mosé " was een veel minder belangrijk operahuis waar men niet beschikte over een vast gezelschap. In " Teatro La Fenice " beschikte men over een beroepsgezelschap in vergelijking met  San Mosé was dit maar een amateurgezelschap en dat is dan ook waarschijnlijk de reden dat Rossini daar wat verassingen heeft uitgehaald. " Il Signor Bruschino " is dus een jeugdwerk dat van minder belang was in Rossini 's beginperiode, maar veel meer belangstelling kreeg veertig jaar later toen het de aandacht trok van de  Franse grootmeester Jacques Offenbach. Hij ontdekte namelijk de partituur in Rossini's woning, en was direct bekoord door de frisheid van de muziek en vroeg Rossini of hij de opera mocht bewerken voor zijn  "Bouffes Parisiennes " dit werd hem prompt toegestaan.

Offenbach liet A.De Forges een nieuw libretto op een burleske tekst schrijven, waarin het zwaartepunt van de muzieknummers verlegd werd naar de gesproken dialogen, die de seco-recitatieven kwamen vervangen. Daar Offenbach zijn troep slechts over zingende komieken beschikte met matig stemmateriaal en nog minder vocale cultuur beschikte, liet hij twee van de mooiste stukken uit de partituur vallen. Het grote liefdesduet en de grote trio en hij verminkte ook nog andere nummers zozeer, dat de muziek er ernstig onder leed, hij knipte ook de handeling in twee waardoor uiteindelijk twee bedrijven ontstonden en dat de burleske operette niets gemeen meer had met het werk van Rossini. De synopsis die ik heb beschreven is wel naar het originele werk van Rossini zoals het nu terug in  Italië wordt gespeeld. Offenbachs werk werd voor het eerst in Parijs op het podium gebracht op 29 december 1857 en werd met veel bijval onthaald. Toch weigerde Rossini beslist een opvoering bij te wonen en wees met de volgende verklaring iedere verantwoordelijkheid van de hand.

Ik heb U toegestaan , te doen wat U wou, maar ik wens in geen geval als uw medeplichtige op te treden ".

Wat duidelijk wil zeggen dat Rossini  niet achter het werk van Offenbach stond. Ondanks de reactie van Rossini, trok Offenbach met zijn troep van " Des Bouffes Parisiennes " in 1858 met het werk op zomertournee naar Berlijn. De muziek was toen al tot zes zangnummers geslonken en toch was de bijval groot. Toch wees ook  de Berlijnse kritiek, zowel als die van Parijs, op het feit, dat de talentvolle leden van de Franse operatroep zich hadden gewaagd op een terrein waar ze zich niet thuis voelden. Toch baanden de strelende melodieën van " Bruschino " zich een weg in de Berlijnse huiskamers, er ontstonden tal van variaties onder andere een potporie van enkele zangnummers en losse aria's. De ouverture werd beroemd tevens de pianopartituur voor de potporie voor vierhandig klavier, deze is bij Bote en Boeck te Berlijn verschenen en niet meer te verkrijgen of te vinden. 

Opnieuw gaat het werk van Rossini een ander leven tegemoet, door Ludwig Landsdorff ontspruit er terug een nieuwe variatie  op de Franse bewerking, maar nu op de originele partituur van Rossini's eigen kopiïst, Giacomo Zambori, met de hand geschreven en door hem gestempeld. Giacomo had van Rossini, zoals dat toen in Italië gebruikelijk was, het recht gekregen de partituren te kopiëren om losse nummers te verkopen. Van de instrumentale  begeleiding van de seco-recitatieven was daar enkel een spraarzaam becijferde bas geregistreerd. Ook van de zangstemmen recitatieven heeft Rossini slechts zeer vluchtige nota's opgetekend ( hij zat in tijdnood weet je nog ?) , zonder er speciaal op te letten dat  de beklemdetoonde lettergrepen ook op de muzikale accenten vielen. Hij kon immers rekenen op, de tijdens twee eeuwen hoogontwikkelde zangers, die voortreffelijk de kunst verstonden, dan eens door tegenhouden , dan weer eens door versnellen van bepaalde tonen, evenals door de wel doordachte afwisseling tussen een meer gedragen zanglijn en het met uiterst tongvaardigheid oplossende parlando van de declamatie, al naar de situatie van het ogenblik, hun debiet levendig te houden en het effect van hun gezongen recitatief door wel overwogen te verkorten of te verlengen  van de voorgeschreven rusten te verhogen. Zoals Ludwig Lansdorff er in zijn vertaling in het Duits er naar streefde om lichte aanpassingen door te voeren naar zijn eigen taal.

Zo ook werd in de Nederlandse vertaling, die rechtstreeks uit de oorspronkelijke Italiaanse tekst is gemaakt, er voor te zorgen dat het sprankelend karakter van het originele van Rossini zo getrouw mogelijk te benaderen.

Uitvoeringen in de Lage landen.

Ik heb in Nederland en ook in Gent geen nota's over vroege voorstellingen gevonden zowel niet in de 19 de als 20 ste eeuw.

Het is dus ook uit deze Duitse vertaling dat er in het speelzeizoen 1955/56 aan de koninklijke Vlaamse opera te Antwerpen een productie van deze opera, in het Nederlands, van Rossini werd gewijd en dus ook  afwijkt doordat men de opera bracht in twee bedrijven in plaats van als een éénakter. Deze productie stond onder leiding van dirigent Hugo Lenaerts en de regie van Antoon Van De Velde. Het zijn dus ook deze vertolkers van die voorstelling op 18 maart 1956  die ik heb vernoemd in de rolverdeling, omdat er toch een drietal zangers zijn met internationale allure die deel uitmaakten van deze cast. Edward De Decker als Gaudenzio, Berthe Van Hyfte als Sofia en Bert Roelands (eigenlijk Renaat Verbruggen ) als Bruschino. Renaat verbruggen zou later directeur worden van de KVOA.

Internationaal vinden we toch ten tijde van de Rossini renaissance van de jaren twintig van de vorige eeuw een herontdekking van dit werk en navolgend ook in 1932 introduceerde Tullio Serafin de opera in Amerika, met Ezio Pinza als Gaudenzio, Giuseppe De Luca als Bruschino Senior, Armand Tokapyan als Florville en Edytha Fleischer als Sofia.

Historische opnames.  

Ik vind van dit nog weinig gespeelde werk in totaal 11 volledige opnames terug op het internet, de oudste van 1951.

1) 1951 de oudste opname onder Carlo Maria Guilini met het orkest van de Rai Milano, met Sesto Bruscantini, Alda Nomi, Afro Poli, Tamaso Soleu, Christiana Dolamanges, Fernando Coidoti, Antonio Spruzzola en Guilo Scarini reeds op CD Great Opera Performences C.O.P. 66329 (2 CD's) 2005.

2) 1958 onder de leiding van Ennio Gerelli met Elda Ribetti, Luigi Pontiggia, Renoto Capecchi en Carmelo Mangeri. op Vox.

3) 1991 een topcast onder Ian Marin met Samuel Raimey, Kathleen Battle, Claudio Desderi, Octavio Arevalo, Michel Pertusi, Jennifer Larmore en frank Lapardo. op Duitse Grammofoon  DG. 435 856-2HG.

Op DVD geen gevonden . Wel twee Youtube links van twee voorstelling met een vrij moderne benadering van Rossini's werk .

https://www.youtube.com/watch?v=dntXjn2Pc2I  Dit is de mooiste voorstelling die te vinden is met een buitengewone cast en de klassieke voorstelling dat de jonge componist voor ogen had van de uitvoering in zijn tijd.

 https://www.youtube.com/watch?v=o0VaODnBbmk dit is ook een mooie voorstelling à la 21ste eeuw maar een Engelse versie uit Australië met een zeer jonge cast.

 

" Il Signor Bruschino " Rissini (1988)

Een semie klassieke voorstelling van dit jeugdwerk van Rossini. Men ontdekt er toch al de grootmeester in terug, in dit vroege werk. Het symfony orkest van Torino staat onder de leiding van dirigent Donato Renzetti, met Enzo Dara, Marielle Devia, Alberto Rinoldi, Eugenio Favano, Dolmacio Gonzalez, Michele Faniggia, Alfonso Antoniozze, Nicoletta Curiel.