August De Boeck (1865-1937)

August De Boeck

Toen op 9 oktober 1937 August De Boeck overleed in zijn geboortedorp Merchtem had hij de leeftijd van 72 jaar bereikt. Met hem ontviel ons een van de grootste persoonlijkheden onder onze Vlaamse toondichters van zijn generatie. Hij is inderdaad er beter in geslaagd dan vele van zijn tijdgenoten een eigen weg te bewandelen, tussen de vele nieuwe kunstvormen van de 20 ste eeuw die vanuit het buitenland, Duitsland, Rusland, Frankrijk, in ons land doordrongen. Terwijl anderen hun leven lang in de greep bleven van grote hervormers uit die landen, wist De Boeck, ondanks de tol die ook hij aan de stijlopvattingen van deze baanbrekers betaalden, wist hij dergelijke invloeden zelfstandig te verwerken en ze te leiden naar een zeer persoonlijke taal en identiteit.

De levensloop van deze kunstenaar verliep zonder uiterlijk schokkende en extreme gebeurtenissen. Er is geen sprake van een strijd om het materiële bestaan, evenmin als van een moeizaam zoeken om op artistiek gebied ten alle prijs een plaats onder de " avant garde " van zijn tijd te veroveren. Het was een rustig bestaan, hoofdzakelijk verdeeld tussen les geven, componeren en tuinieren. Zijn ware passie waren bloemen en planten in zijn tuin te Merchtem, waar hij zich in zijn vrije tijd duchtig kon uitleven in de natuur.

De Boeck stammend uit een oud Brabants geslacht bleef inderdaad iets van een hereboer in zich meedragen en keerde regelmatig terug naar zijn landhuis, dat hij in zijn geboortedorp kocht, al verplichtten zijn verschillende functies achtereenvolgens te Brussel en te Mechelen zijn intrek te nemen. Hij is geboren op 9 mei 1865 en ontving zijn eerste muziekondericht van zijn vader en enkele plaatselijke leraars. Zijn vader die in de dorpskerk de taak van koster en organist vervulde, zag in zijn zoon aanvankelijk zijn opvolger. Maar weldra wees men hem op het bijzondere talent en begaafdheid van zijn zoon en werd hem aangeraden hem te laten studeren aan het muziekconservatorium te Brussel. Alhoewel de hoofdstad op een vijftiental km van Merchtem lag en er toen geen treinverbinding bestond tussen beide plaatsen, liet de kloeke telg dit voor hem geen hinderpaal zijn en legde hij meermaals per week de weg naar Brussel een en terug te voet af. In korte tijd ontwikkelde  zich een schitterende virtuoos op het orgel en leerde hij eveneens  harmonie en beheerste  hij op korte tijd het contrapunt. Men beschouwde het dan ook als vanzelfsprekend dat de jonge kunstenaar zijn leraar in het orgel " F. Mailly " in deze instelling zou opvolgen. Het feit dat zulks niet gebeurde en een andere kandidaat  door toedoen van allerlei betreurenswaardige invloeden de opvolging verzekerde, (ook toen was het regel dat men niet besliste volgens wat men kende, maar wie men kende), was voor De Boeck een bittere teleurstelling.

Na het overlijden van zijn vader in 1894 werd hij vaste organist aan de Sint.-Bonifantiuskerk te Elsene. Enkele jaren later kreeg hij ook de organistenbetrekking aan de kerk van de ongeschoeide karmelieten te Brussel. Vanaf 1909 werd hij benoemd tot leraar harmonieleer aan het muziekconservatorium te Antwerpen, een functie die hij later ook aan het Brusselse conservatorium zou bekleden. Als muziekpedagoog kreeg hij zijn bekroning toen hij ten slotte in 1921 werd aangesteld als directeur van het conservatorium van Mechelen een ambt dat hij zou bekleden tot zijn pensioen in 1930.

Al had hij er aanvankelijk ernstig aan gedacht zijn weg te zoeken als orgelvirtuoos, koos hij toch uiteindelijk voor componist. Tot zijn 24 jaar had hij slechts enkele gelegenheidstukken geschreven waaraan hij zelf weinig waarde hechtte. In 1884 leerde hij echter Paul Gilson kennen. Hoewel slechts even oud als De Boeck had deze componist, ook uit Brabant afkomstig reeds de aandacht op zich gevestigd door het behalen van de " Prijs van Rome " voor compositie. Deze kennismaking groeide uit tot een blijvende vriendschap. Het symbool voor deze vriendschap is het voltooien door Gilson van De Boecks postuum orkestwerk " In de Schuur " dat men na diens overlijden in zijn woning gevonden had. Gilson die voor alles een beroemd pedagoog was, ontdekte in zijn vriend een groot componist. 

In 1886 ontstond de symfonie in g. Dit zou zijn eerste en tevens zijn laatste symfonisch werk blijven. Even later schreef hij zijn " Dahomer Rapsodie " in met zijn prachtige in 1923 onstane " Fantazie " op twee Vlaamse volkswijzen, het is onmogelijk in deze beknopte bespreking zijn immense volledig oeuvre te beschrijven.

Nadat op het einde van de 19 de en begin 20 ste eeuw te Antwerpen een Vlaams Zangtoneel, de latere KVO en de nu gefusioneerde Antwerpse en Gentse  opera met name de huidige " Opera en Ballet Vlaanderen " , werd gesticht liet zich weldra de nood aan nationaal operarepertoire gevoelen. ( Voor de jonge en nieuwe generatie aan operadirecties is dit niet meer nodig om een eigen identiteit na te streven, dit is in de 21 ste eeuw onbelangrijk geworden.) Na een tijdje togen onze eigen Vlaamse componisten aan het werk, Jan Blockx, Emiel Wambach, Renaat Veremans, Emiel Hullebroeck en zo ook August De Boeck, waagden zich op dit vlak met dikwijls ongehoopte zelfs internationale triomfen.

De Boeck greep zijn kans in 1901 met een korte opera " Théroigne de Méricourt " van een nog een veel groter betekenis bleek echter zijn kort daarop gecomponeerde zijn sprookjesspel in één bedrijf " Winternachtsdroom " dat zowel in de pers als bij het publiek geestdriftig werd onthaald. Dit zonnige werk is dikwijls opgevoerd ook te Brussel en in Frankrijk en zelfs in Duitsland. Later schreef hij ook twee avondvullende  opera's " De Rijndwergen " die op een zeer zwak libretto van Pol De Mont was geschreven en de bekende fabel " Reinaart De Vos " op een bekroonde tekst van Raf Verhulst. Niettemin schoten deze twee werken wat te kort aan scenisch en dramatisch inzicht. Wellicht was het ook om die reden dat deze beide werken van De Boeck niet de verhoopte bijval kenden. Dat dit ook het geval was met " Reinaart De Vos " was voor de componist een diepe ontgoocheling, daar hij aan dat werk een bijzonder zorg had besteed. Verbitterd door dat koel onthaal zag hij aanvankelijk af om nog enig theaterwerk te schrijven. Maar tijdens WO I vatte hij terug het plan op om het nog eens te proberen, maar nu op een Frans libretto dat geschreven werd door Max Hauttier naar de roman " La Route d'Emeraude " van de destijds graag gelezen Belgische schrijver Eugène Demolder. Het was deze keer een schot in de roos het werd De Boecks beroemdste meesterwerk en kende achtereenvolgens te Gent, waar het werk gecreëerd werd op 6 februari 1922, te Antwerpen en Brussel een warm onthaal zowel in de Franse als in de Nederlandse versie. Het hield repertoire tot  diep in de jaren zestig van vorige eeuw.  In de Nederlandse versie heette de opera " Fransesca ". Hij zou nog voor het theater 3 balletten en 2 operettes schrijven deze zijn wel minder bekend.

Hij schreef ook verder naast religieuze muziek, ook een groot aantal cantates en enkele mooie missen en een drietal prachtige kindercantates. Daarnaast schreef hij ook composities voor piano, en nog een twintigtal klassieke liederen meestal op Franse tekst en ook een ganse bundel kinderliedjes die tot de fijnzinnigste behoren op dat gebied. Toen de meester in 1930 de ouderdomsgrens van 65 jaar bereikt had en hij zich uit zijn openbare functies had teruggetrokken vestigde hij zich definitief op zijn landhuis in zijn geboortedorp, om er een rustige levensavond door te brengen te midden van planten en bloemen. Vele jaren had hij als vrijgezel met zijn beide ongehuwde zusters samengewoond tot deze laatsten hem ontvielen en hij in eenzaamheid achterbleef. Hij putte echter veel vreugde in het bewerken van zijn tuin, die hij met bijzondere liefde verzorgde. Naast zijn liefde voor bloemen bezat hij tevens een grondige kennis over boom en plantensoorten. In gezelschap vertelde hij bij voorkeur over zijn tuin met bloemen en bomen, veeleer dan over zijn kunst en composities. Hij overleed op zaterdag 9 oktober 1937 onverwacht aan de gevolgen van een hartaanval op 72 jarige leeftijd.

Zijn voornaamste theaterwerken.

August boeck schreef 8 werken voor groot orkest, 29 werken voor harmonie- en fanfareorkest, 9 religieuze werken missen en cantates, 4 werken voor kamerorkest en 4 werken voor orgel.

Zijn Opera's.

1) Théroigne de Mericourt (1901).

2) Winternachtsdroom (1902).

3) De Rijndwergen (1904-1906). 

4) Reinaert de Vos (1909).

5) La Route d'Emiraude of Francesca (1922).

Zijn operettes.

1) Papa Poliet (1921).

2) Totole (1932).

Zijn balletten 

1) Cendrillon (1895).

2) La Phalène (1896).

3) La Tentation du poète (1929).

 

Musica Nova " Obeato Mater " August De Boeck.

Vertolkt door de sopraan Karen Vermeire, Peter Jeurissen organ, vioolquartet Hans Van Kerckhoven allen onder de leiding van Jeroen Keymeulen.

Het lied " Vrede " van August De Boeck.

De Belgische Mezzo-sopraan Francine Lepage (1915-2006) met Nederlandse roots zingt hier een van De Boecks mooiste liederen. Vermoedelijke opname 1950.

" Winternachtsdroom " door August De Boeck.

Recitatief en aria van Prinses Zonnestraal wordt hier gezongen door de Vlaamse sopraan Liesbeth Devos met het orkest Würtenbergische Philharmonie onder de leiding van de Vlaamse Dirigent Dirk Vermeulen.