Nicolai Rimski-Korssakov (1844-1908)

Nicolai Rimski-Korssakov (1844-1908)

Rimski-Korssakov besteedde veel tijd en enregie aan het orkestreren, ordenen en afwerken van composities van vreemden met minder doorzettingsvermogen en beroepsernst. Latere generaties hebben het hem kwalijk genomen dat hij ook het karakter van die werken heeft gewijzigd, toch zouden zonder hem de " Stenen Gast " van Dargomiski, " Prins Igor " van Borodin, " Boris Godoenow "  en " Khovantchina " van Moessorgsky nooit aan het licht zijn gekomen en verloren zijn geweest voor de operageschiedenis.

Zijn muzikale loopbaan kreeg hij niet op een schaaltje aangeboden. Als telg uit een familie van vloot-officieren was het normaal dat hij kadet bij de keizerlijke marine werd. Hij dweepte reeds met muziek van " Glinka " toen hij zeventien was, en zo onmtoette hij Mill Bolakinev. Die veredelde zijn smaak  en zag dat hij talent en gevoel had voor orkestrale kleuren en moedigde hem aan tot het schrijven van een symfonie, ondanks zijn tekort aan basiskennis, zelfs inzake elementaire harmonie. Ze werd met Balakinevs hulp voltooid en in 1865 uitgevoerd. In feite was dit de eerste Russische symfonie van enige betekenis. Rimski-Korssakov ging voort met componeren, al herwerkte hij later duchtig zijn producties uit die tijd. een gewoonte van hem om composities achteraf te veranderen. Hij had bijval en dat had tot gevolg dat hij in 1871 werd benoemd tot leraar compositie aan het conservatorium van St.-Petersburg. Hij was zich van zijn onwetendheid bewust en om zijn leerlingen voor te blijven, ging hij zo hard , harmonie en contrapunt studeren dat componisten hem begonnen te beschouwen als een reactionair academicus. Hij nam ontslag bij de marine in 1873 en werd een jaar daarop inspecteur van de muziekkapellen van de zeemacht. In die functie verwierf hij een grondige instrumentale kennis. Hij volgde tevens Botakirev op als directeur van de vrije Muziekschool en verzamelde een schare van componisten bijeen, waaronder Liadov, Arenski en Glazoenov.

Zijn sterke betrokkenheid bij academische studies, komt tot uiting in enkele droge kamermuziek. Hij verzamelde en zorgde voor een grote collectie volksliederen en zorgde voor het uitgeven van de opera's van Glinka. Zelf had hij reeds een eerste opera. " Het meisje van Pskov ", gecomponeerd toen hij zijn inspiratie ging zoeken in lichtere nationale thema's uit volkslegenden, zoals in " Meinacht " en in " Het sneeuwmeisje ". In een handboek vatte hij zijn inzichten samen, omtrent een levendige instrumentale muziek. Dergelijke muziek vinden we terug bij drie briljante concertwerken, alle in minder dan twee jaar geschreven. Zijn Spaanse Capricio waarin zoals hij zei " de kleur " het belangrijkste is, niet de aankleding.

Misschien als gevolg van het horen van Wagners " Ring " besluit hij dan zich op de opera toe te leggen. Dit wordt zijn echte roeping. De opera's die nu volgen kunnen ruwweg in twee groepen worden ingedeeld: de epische en de fantastische, al hadden ze allemaal een bovennatuurlijk tintje. Tot de  eerste groep behoren " Sadko" en " De legende van de onzichtbare stad Kitezsj ", tot de tweede de sprankelende "Geschiedenis van de Tsaar Saltan en zijn allerlaatste opera " De Gouden Haan ". De scherpe satire op de onbevoegde machthebbers had tot gevolg dat dit werk verboden werd en pas na zijn dood werd opgevoerd. Omwille van zijn sympathie met de opstandelingen van 1905 had Rimski-Korssakov reeds in 1905 last met de overheid. Bij ons komen zijn opera's zelden aan bod, maar enkele staan op plaat. Delen ervan zoals de vlucht van de hommel, uit " Tsaar Saltan, het lied van de Indiaanse gast uit " Sadko " en de " Hymne aan de zon " uit de " Gouden Haan " zijn echter algemeen bekend en worden meestal als een zelfstandig werk uitgevoerd.

De vlucht van de hommel.

Prachtig voorbeeld van de vertolking " De vlucht van de hommel " uit de opera " Tsaar Saltan " wordt hier als een spectaculair stukje muziek vertolkt.