Christoph Willibald Ritter von Gluck (1714-1787)

Christoph Willibald Ritter von Gluck.(1714-1787)

Biografie.

Gluck was een Duits operacomponist geboren in Erasbach op 14 juli 1714 en overleden in Wenen op 15 november 1787. Hij was de oudste zoon van een bosbeheerder van de Beierse keurvorst prins Lobkpowicz. Hij werd opgevoed in het Jezuïten seminarium van Komotau. Van zijn muzikale opleiding in die periode weten we weinig of alleen dat hij in 1726 koorknaap was. Hij ontvlucht het ouderlijk huis en het seminarium en kwam zo als reizend muzikant terecht in Praag. Hij speelde toen al orgel en viool en was op zijn 23 ste reeds in dienst bij verschillende adelijke heren en trok van Praag naar Wenen.

Via prins Melzi maakt hij kennis met Giovanni Batistta Sammartini (1728-1800), Gluck werd ondergedompeld in de Italiaanse opera en kreeg bij Sammartini onderricht in contrapunt. in 1741 kwamen zijn eerste opera's in Milaan op de planken. " Artasers " op 26 december 1741 in het " Regio Ducal Teatro ". Het werk was succesvol en er volgden vlug opdrachten  uit verschillende steden van Italië. In 1745 maakte hij als begeleider van prins Lobkowicz een reis naar Parijs waar hij Rameau (1683-1764) ontmoette, de reis ging verder naar Londen waar hij kennis maakte met Händel (1685-1759). De ontmoeting verliep eerst koel omdat Händel vond dat Gluck van contrapunt niet veel begrepen had, maar algauw werden de meningsverschillen bijgelegd en ontstond een vriendschap die toch leidde tot een goede samenwerking ze werkten samen voor een paar operavoorstellingen.

Gluck zijn loopbaan na zijn huwelijk.

In de daarop volgende jaren reisde hij terug door Duitsland met een operagezelschap van Pietro Mingotti (1702-1759). In 1748 leerde hij de zestienjarige Marianna Pergin kennen een dochter van een Weense bankier. Tevergeefs dong hij naar haar hand, dit werd telkens geweigerd . Als haar vader het jaar daarop sterft, kon hij toch nog met haar in het huwelijk treden in 1750. Door zijn huwelijk beschikte hij nu over een aanzienlijk fortuin en ging hij zich vestigen in Wenen vanaf 1752.

In 1755 wordt hij hofdirigent en schreef hij enkele gelegenheidsopera's " La danza, Les amours champêtres, L'innocenza giustificata en Antigono ", en ook enkele Franse opera-comiques die toen in Wenen in de mode waren. Paus Benedictus XIV sloeg hem tot ridder en vanaf 1756 heette hij " Ritter von Gluck. Eind van de jaren vijftig van de 18 de eeuw kwam hij onder de invloed van de ideeën van de Italiaanse tekstdichter Raniero de Calzabigi, die in Praag groot succes had als librettist, toen hij in Wenen aankwam, schreef hij samen met met Gluck zijn legendarische  " Orfeo ed Euridice " (1762) die Gluck zijn " drama per musico " noemde. Hier verbrak hij de heersende operaconventies en luidde hij een nieuw operatijdperk in, in de operageschiedenis. De daaropvolgende jaren keerde Gluck terug naar zijn vroegere stijl en het zou pas in 1767 zijn, bij het componeren van zijn " Alceste " die zijn tweede hervormingsopera zou worden, terug onder de librettist Calzabigi. De hervormingen werden nu consequenter toegepast dan in zijn " Orfeo ". " Alceste " werd zelf tijdens zijn leven zijn beroemdste werk en grootste succes. Zijn volgende opera " Parida ed Elena " zou minder succes hebben.

Zijn Franse periode.

In 1774 verhuisde Gluck terug naar Parijs op een uitnodiging van een oud leerlinge namelijk Marie Antoinette die ondertussen Dauphine van Frankrijk was geworden door haar huwelijk met Lodewijk XVI . Dankzij haar bescherming gaf de " Académie Royal " hem de opdracht voor zes Franstalige opera's. De eerste daarvan was " Iphgenie et Aulide " die ging in première onder de leiding van de componist zelf, die bij die gelegenheid een nachtmuts droeg in plaats van een pruik om zo zijn onafhankelijkheid te tonen tegenover het adellijke publiek. Desondanks behaalde dit een groot succes.

Deze opera's deden heel wat stof opwaaien, en toen er zich in 1776 een tegenspeler aanbood met name Niccolo Piccini (1728-1800) ontstond er rond Glucks nieuwe opvattingen  een felle strijd tussen de zogenaamde Gluckisten ( waaronder Voltaire en Rousseau ) en de traditionalisten die de waarden van de Italiaanse opera verdedigden, met als voorman Piccini die in zijn loopbaan zo maar 115 opera's componeerde en er nog 15 opera's zijn die men hem toeschrijft maar waar men niet zeker van is. De twee componisten begroeven de strijdbijl en Gluck werd in Frankrijk een van de meest geliefde operacomponisten na Lully. In die periode  pendelde Gluck rergelmatig tussen Parijs en Wenen.

Het is tijdens de repetities van zijn laatste opera " Echo et Narcisse " dat hij zijn eerste beroerte kreeg. Hij herstelde maar gedeeltelijk en na een volgende aanval geraakte hij gedeeltelijk verlamd en na 1780 kwam hij niet meer tot componeren toe, na een derde beroerte stierf de oude ridder nog diezelfde dag op 15 november 1787.

Zijn hervorming.

Christoph Willibald Ritter von Gluck zal herinnerd blijven als de Duitse componist die een belangrijke impuls gaf aan de ontwikkeling van de opera. Bij het Europese publiek was er onvrede ontstaan over de stijve statigheid van de operaseria met zijn strikte scheiding tussen secco recitatief en aria, en over  de macht van de zangers. De opera was gedegradeerd tot niet veel meer dan een aanleiding voor de componist om virtuoze aria's te schrijven voor sterzangers, terwijl de vaak hopeloos ingewikkelde plot zo snel mogelijk werd afgehandeld in secco recitatieven. Gluck verfoeide die wantoestanden en zou een drastische hervorming van de Italiaanse opera doorvoeren, te beginnen met zijn legendarische " Orfeo " in 1762 en later in 1767 met zijn " Alceste " waar hij deze hervormingen nog veel consequenter ging toepassen in al zijn latere opera's het waren er nog vijf, zijn latere werken zouden de tand des tijds doorstaan en zijn nu nog repertoirestukken in alle grote operahuizen.

Zijn opera's.

Hij schreef niet minder dan 48 opera's waarvan zijn vijf hervormingsopera's nog altijd repertoire houden.

Zijn vroegewerken.

" Artaserse " (1741) .

" Cleonice "  (1742) .

" Demofonte " (1742).

" Il Tigrane " (1743) .

" La Sofonisba " (1743) .

" La finta Schiava " (1744) . 

" Ipermestra " (1744) .

" Poro " (1744) .

" Ippolito " (1744-1745) .

" La caduta de' giganti " (1745) .

" Artamene " (1746) .

" Le nozze d'Ercole e d'Ebe " (1747) .

" La Semiramide riconosciuta " (1748) .

" La contessa de'numi " (1749) .

" Ezio " (1749) .

 Zijn opera's na zijn huwelijk 1750

" Issipile " (1752) .

" La clemenza di Tito " (1752) .

" Le cinesi " (1754) .

" Les amours Champêtres " (1755) .

" La danza " (1755) .

" L'innocenza giustificata ( 1755).

" Antigono " (1756) .

" Le Chinois poli en France " (1756) .

" Le déguisement pastoral " (1756) .

" Il re pastore " (1756) .

" La fausse esclave " (1757) .

" L'île de Merlin  " (1758) .

" La Cythère assiégée " (1759) .

" La double métamorphose " (1759) .

" Le tuteur dupé " (1759) .

" La Tedide " (1760) .

" L'ivorgne corrigé " (1760) .

" Le cadi dupé " (1761) .

" Il trionfo di Clelia " (1763) .

" La rencontre imprévue " (1764) .

" Il parnaso confuso " (1764) .

" Il telemaco, ossia L'isola di Circe " (1765) .

" La corona " (1765) .

" Il prologo " (1767) .

" La festa s'Apollo " (1769)

" Paridi ed Elena " (1770) .

Zijn Franse periode met zijn hervormingsopera's.

" Isabelle et Gertrude " (1765) .

" Orfeo ed Euredice " (1762/1774).

" Alceste " (1767/1776) .

" Iphigénie en Aulide " (1774) .

" Armide " ( 1777) .

" Iphigénie en Tauride " (1779).

" Echo et Narcisse " (1779/1780).