" La Traviata "

Constant Meillander als Germont en Gita Nobis als Violetta. (1945)

" La Traviata "

Met Clara Clairbert als Violetta. (1944)

" La Traviata "

Met Karel Locufier als Alftredo en Hubertine Langbeen als Violetta. (1946).

" La Traviata "

Met Hubertine Langbeen en Karel Locufier. (1946)

" La Traviata "

Met Hubertine Langbeen en Karel Locufier (1946)

Opera onder de invloed der geallieerden 1944 tot 1947

" La Traviata " Constant Meillander als Giorgio Germont en Karel Locufier als Alfredo (1945)

De Canadese kapitein Webster kreeg de feestzaal van de " Vooruit " ter zijner beschikking om de theatershows van de militairen te laten doorgaan maar algauw beantwoordde dit podium niet meer aan de verwachtingen van Webster en kreeg hij in november 1944 het operagebouw ter zijner beschikking. De vereniging " ENSA " vertegenwoordigde een Engelse culturele organisatie die de voorstellingen inrichte voor de troepen in het buitenland. De opvoeringen vertegenwoordigden variété tot toneel en concerten.

De Konninklijke Opera  had op dat moment geen gezelschap aan het huis verbonden. Vanaf november 1944 onderhandelde Webster met het stadsbestuur , en als experiment krijgt het " ENSA " de stadsopera eerst drie maand ter beschikking , uiteindelijk zullen de Engelse geallieerden de opera voor zes maand huren. 

Er werden ook afspraken gemaakt over het aantal avondvoorstellingen en matineevoorstellingen waar de Engelsen nooit zullen aan voldoen, ook wordt door het stadsbestuur gevraagd mogelijks Gentse artiesten in dienst te nemen. Er wordt een inspecteur  door het stadsbestuur aangesteld, " De Clippel " die ook stadsopzichter was tijdens de bezetting, hij moet volgens de overeenkomst nauw samenwerken met het " ENSA ", wat niet echt lukt. Op 25 mei gaat er een verontwaardigde brief naar het management van " ENSA " waarin hij schrijft dat het " ENSA " niet voldoet aan de gedane overeenkomsten . De tickets die aan het stasdbestuur moesten ter beschikking gesteld worden  om te kunnen verkopen en de opbrengst aan het goede doel te kunnen doorstorten van de oorlogsslachtoffers is niet gebeurd en aan de overeengekomen voorstelling wordt ook  niet voldaan. Toch had " ENSA " enkele specifieke voorstellingen  gericht op de bevolking van Gent, zoals een concert van " The Seaforthighlander Military Band " op 11 maart 1944 , hier werd de Gentse bevolking gratis uitgenodigd, en het populaire feest op 23 december 1944 ter ere van de geallieerden voor de Gentse burgers werd door het succes enkele keren herhaald en daar ging de opbrengst wel naar de oorlogslachtoffers. Ook andere activiteiten , zoals het bal van de Engelse overheid op 28 mei, en het bal van de Amerikaans officieren  op 31 maart stonden ook op het programma.

Niet iedereen was echter tevreden, de pers droeg ook haar steentje bij. De lezers van " De Schijnwerper " hoopten stiekem enkele mooie operavoorstellingen te kunnen meepikken  in 1944 ook dit lukte niet. Op 21 juli 1945 ontvangt de burgemeester het bericht dat het operahuis terug terbeschikking zal komen van de stad.

De taalstrijd herbegint.

Al tijdens het regieme van de " ENSA " in 1944 zocht men terug ruimte on enkele Vlaamse en Franse operavoorstellingen in te voeren. Op 10 december vindt de eerste Franse voorstelling plaats van " Le Barbier de Siville " en op 11 febtuari 1945 gaat de eerste Vlaamse vertoning van " Tosca "op de planken  op zondagnamiddag en op zondagavond " Walsdroom ".

De organisator en ook later directeur is Constant Meillander. volgens het blad " De Schijnwerper ", dat de speigel van het Vlaamse culturele leven wil zijn , kondigt na de voorstelling aan dat er na deze Vlaamse voorstelling al een campagne gestart is tegen deze Vlaamse voorstellingen.

De taalstrijd is duidelijk nog niet bekoeld. In hun recensie van beide Vlaamse lyrische werken laat " De Schijnwerper dus ook niet na laagdunkend uit te halen naar de Franse organisatoren. De publieke opkomst is talrijk volgens " De Schijnwerper en dat bewijst dat het stadsbestuur het beheer van onze opera in handen mag geven aan het organisrende duo " Meillander en Locufier ". " De Schijnwerper vindt het schandalig dat deze heren niet de mogelijkheid krijgen om met hun gezelschap te kunnen repeteren en dus moeten uitwijken naar een andere locatie.

Bij " La Flandre Liberale " valt het verschil in publiek op dat naar de voorstellingen gaat kijken : het Franstalige publiek is totaal anders dan het Vlaamse. De krant hoopt dat iedereen tevreden is met de oplossing waarbij tweetaligheid geïntegreerd wordt. In juni 1945 hangt er nog een grimmige sfeer rond het taalbeleid aan het operahuis. Waaneer het in juli 1945 wordt vrijgegeven, zouden Locufier en Meillander een voorstel doen om de opera uit te baten en Vlaamse voorstellingen  afwisselend naast Franstalige voorstellingen te programmeren. Het stadsbestuur beslist er anders over en wil de uitbating nog niet vastleggen met een directeur.

De pers is bijzonder ontevreden over dit voorstel. Ook de reactie van " Het Toneel " wijst met een beschuldigende vinger naar het stadsbestuur. Naast de tegenkanting van de Franse Elite, ondervonden, volgens het blad, Locufier en Meillander vooral terughoudenheid van het Vlaamse stadsbestuur in Gent. De heren zouden staatssubsidie krijgen van 5000 fr.  om opera en operette voorstellingen te progammeren. Deze subsidie werd aan het stadsbestuur gestort maar slechts de helft werd het aan het gezelschap uitgekeerd. De ander helft was om de opera speelbaar te maken. In 1946 werd het bedrag officieel toegekend, maar in oktober van dat zelfde jaar  wachtte het gezelschap nog steeds op de som. " Het toneel " is boos omdat deze subsidie dient om het Franstalige gezelschap te bevoordelen. Locufier en Meillander mogen slechts twee voorstellingen per week geven, terwijl het Franstalige gezelschap het gebouw de rest van de week mag huren.

Vanaf het seizoen 1945/46 wordt drie seizoenen lang het gebouw verhuurd aan twee belangrijke inrichters:

a) het gezelschap Terrot & Van Quikelberghe zij zorgen voor " Section Lyrique Francaise de l'Opera de Gand.

b) en de andere kant het gezelschap van Meillander en Locufier.

In zijn boek over het " Lyrische Toneel " schrijft Dr. Guy Verriest, dat volgens hem het niveau van de Franstalige voorstellingen  qua status hoger was dan die van Coens en qua zang hoger dan onder de directie Van Caspeele. Als nadeel zag hij de duurdere ticketprijzen.

De Vlaamse  opera- en operettevoorstellingen  georganiseerd door Locufier en Meillander , van kort na de bevrijding hadden deze artiesten, hun collega's van tijdens de bezetting van de " Koninklijke stadsopera " rond zich verzameld en er een nieuw gezelschap mee opgericht. " Het gezelschap Karel Locufier ", waarvan Meillander administratief leider werd . Dit gezelschap specialiseerde zich vooral in operette, zodat de voorstellingen in de opera een volkse uitstraling kreeg. De ticketprijzen werden bewust laag gehouden wat hun sterkte was om het publiek te bereiken. Het gezelschap speelde elke woensdag een voorstelling, en daarnaast ook twee op zondagmatinees   en een zondagavond voorstelling eens per maand.

" Het Volk " vond dat het  bij het stadsbestuur aan politieke moed ontbrak om de voorstellingen ofwel in het Vlaams ofwel in het Frans te laten doorgaan. En te herkennen. Volgens vele artistieke journalisten  waren de voorstellingen een schrale karikatuur van de hooggeschatte Franse cultuur. Dit kwam omdat het Franstalige gezelschap meestal Franse sterzangers laat gasteren tegenover een onvoldoende voorbereide en ondermaatse koorgroep. Daar het Vlaamse gezelschap meestal met eigen artiesten werkt en er dus wel voldoende gerepeteerd werd al dan niet op een ander locatie, komt het Vlaamse gezelschap aan een hoger artistiek niveau. Een samenwerking tussen het Franstalige -en het Nederladstalig gezelschap bleek een onmogelijke verbintenis te worden. De tweestrijd tussen het elitaire Franstalige - en het volkse Vlaamse operaleven vindt een einde met de benoeming van Vina Bovy tot directeur in 1947. Met haar aan het roer van de "Koninklijke Opera van Gent " sart er een nieuw artistiek tijdperk.

Belangrijke Nederlandse vertoningen tijdens de bezetting .

Operettes.

 Lijst in opbouw.

Belgische operasterren na de bevrijding in 1944.

Karel Locufier (1904-1972) deze Vlaamse heldentenor zong aan de KVO Antwerpen aan de " Koninklijke Muntschouwburg " te Brussel en aan de " Koninklijke Opera van Gent " Na de bevrijding nam hij samen met Constand Meillander de fakkel over in Gent tot het leiderschap van Vina Bovy en werd hij er regisseur, richtte hij een operettegezelschap op en zou directeur worden aan de opera van Gent van 1960 tot 1972 . Dit is een zéér rare opname van 12 januari 1948 het zou de eerste zijn en tevens ook zijn laatste want hij was toen al in de herfst van zijn zang carrière . Hij debuteerde aan de KVO in 1934 en werd er de opvolger van de beroemde Antwerpse tenor Louis Morrison die toen ernstig ziek werd en overleed in 1935. Hij zong dus ook te Gent van 1936 tot 1952 .

Belgische operasterren na de bevrijding in 1944.

Clara Clairbert (1900-1972) deze Belgische nachtegaal had een wereldcarrière tussen de twee wereldoorlogen en zong hier te Gent vanaf 1934 tot 1947 tot aan het tijdperk Bovy. Ze was toen ook al in de herfst van haar zangloopbaan . Ze zou nog zingen te Brussel tot 1954.

Belgische operasterren na de bevrijding in 1944.

Lucienne Delveaux (1916-2015) deze Waalse mezzosopraan debuteerde juist op de overgang naar het Bovy tijdperk te Gent in 1947 en zou er blijven zingen tot 1963. Zij was samen met Rita Gorr de twee grootse mezzo's van de naoorlogse periode in het Franse repertoire.

Belgische operasterren na de bevrijding in 1944.

Deze Belgische bas chantante zong te Gent van 1927 tot1938 en na de bevrijding van 1944 tot 1947 en later van 1951 tot 1955. Hij was ook eerst bas aan de Muntschouwburg. Hij was zelfs gast aan de KVO te Antwerpen en zong ook in het Nederlands (Rubens cantate van Peter Benoit. U hoort hem hier als Mozartvertolker wel in het Frans.