Debora Voight als Minnie

Lucio Gallo als Jack Rance

Marcello Giordani en Debora Voight.

" La Fanciulla del West "

Opera van Pucci ni in drie bedrijven.

Libretto Gielfo Civinini en Carlo Zangarini naar de roman en het toneelstuk "The Girl of the Golden-West "van David Belasco.

Inleiding.

Na de dood van Giacosa, Puccini's vriend en librettist werd de samenwerking tussen het trio Puccini - Giacoso - Illica verbroken. Puccini was enkele jaren op zoek naar nieuwe tekstboekschrijvers en natuurlijk ook naar een nieuw libretto. Hij koos na het succes van zijn " Madama Butterfly " een ander Broadway kasstuk van David Belasco " The Girl of the Golden-West " , dat speelde tijdens de Goldrush in het midden van de negentiende eeuw. De première van zijn nieuwe opera gebeurde voor het eerst niet in Italië, maar aan de Metropolitan Opera te New York en ging door op 10 december 1910 onder de leiding van Arturo Toscanini met een bijzonder glorieuze bezetting in de hoofdrollen: Emmy Destinn als Minnie, Caruso als Ramirez en Amato als de sheriff Jack Rance.

 

 

Rolverdeling.                      Stem.                    Eerste cast. 

Minnie, barmeisje - dramatische sopraan - Emmy Destinn .

Jack Rance, sheriff - heldenbariton - Pasquale Amato .

Ramirez, gezochte bandiet - tenor (lyrico spinto) - Enrico Caruso.

Ashby, hulpsheriff - bas - Adamo Didur.

Goudzoekers: Sonora - bariton - Dinh Gilly.

                    Trim - tenor - Angelo Boda.

                    Sid - bariton - Giulio Rossi .

                    Bello - bariton - Vincenzo Reschiglian

                    Harry - tenor - Pietro Audisio.

                    Joe - tenor -  Glenn Hall.

                    Happy - bariton - Antonio Pini Corsi.

                    Larkens - bas - Bernard Begué.

Billy Jack,  indiaan - bas - Georges Bourgeois.

Wolke, zijn squaw - mezzo-sopraan - Mary Mattfeld.

Jack Walace,reizende zanger - bariton - Andres de Segurola.

José Castro, bandiet - bas - Eduardo Missiano.

Een koerier - tenor - Lamberto Belleri.

Synopsis.

Plaats en tijdstip:  een goudzoekerskamp in Californië in het midden van de 19° eeuw.

Het barmeisje Minnie speelt in het goudzoekerskamp een belangrijke rol: de vriendin van iedereen en een echt meisje van het " Wilde Westen ", dat meesterlijk kan paardrijden en de revolver weet te hanteren en alle trucs van het pokeren kent. Het milieu van het " Wilde " of  " Gouden " Westen is hier zeer goed getypeerd. Voor vele van de mannen betekent Minnie meer, zij houden van haar op hun eigen ruwe manier. Een man die zich Dick Johnson ( bandiet Ramirez) komt het lokaal binnen. Minnie kent hem van vroeger zij hadden toen een relatie. In werkelijkheid is hij de beruchte bandiet Ramirez. Het gerucht dat een rover in de omgeving is gesignaleerd doet de ronde in het kamp. De sheriff Jack volgt al een tijdje zijn spoor. Minnie herkent Ramirez, maar hij is gewond en zij verschaft hem in het geheim onderdak, bij haar thuis. Als de sheriff bij haar thuis zijn onderzoek wil verder zetten , werpt Minnie zich voor de deur. Zij stelt de sheriff voor om voor Ramirez zijn leven te pokeren. Zij speelt vals en wint, het leven van Ramirez is voor haar.

Maar spoedig daarna wordt hij echter gevangen door de goudzoekers die hem willen lynchen. Weer grijpt Minnie in : zij herinnert hen er aan wat zij voor de mannen al allemaal heeft gedaan en haalt het verhaal van de bijbel van " de berouwvolle zondaar " aan. De ruwe kerels laten zich door haar vermurwen en laten hem vrij. Deze trekt met Minnie weg om elders een nieuw leven en vooral een beter leven te beginnen.

De muzikale invloed.

" La Fanciula del West " , mag als een keerpunt in Puccini's oeuvre worden beschouwd. Men krijgt in dit werk een heel nieuw aspect van zijn talent te horen. Zijn muziek wijkt af tegenover zijn vroegere werken. Het feit dat hij het werk componeerde voor de Metropolitan, beïnvloedde vanzelfsprekend de keuze van het onderwerp en van daaruit ook van de muzikale thematiek die, voor een groot deel, ontleend werd aan folk-songs uit de streek van Calofornië en Nevada, songs waaruit heel dikwijls het heimwee klinkt van de ontgoochelde goudzoekers die in de Sierra Nevada bij Cloudy Montain het fortuin zochten en er dikwijls de dood vonden in plaats van goud.

Puccini streefde in de partituur van " La Fanciulla del West " naar muzikale effecten . In de orkestratie voelt men duidelijk dat hij zich door de fijnheid van het impressionisme had laten beïnvloeden. Vandaar wellicht dat men thans geleidelijk aan meer waardering begint te krijgen voor een werk dat aanvankelijk koel werd onthaald. Er zijn prachtige bladzijden  in de partituur die een onvergetelijke indruk laten. Op verschillende plaatsen wordt men ook gewaar dat Puccini de tenorpartij schreef voor zijn grote landgenoot  Enrico Caruso. Vooral aan de aria in het derde bedrijf kan men dit merken.

Het was ten andere Caruso die de rol van Dick Johnson alias Ramirez creëerde op 10 december 1910. De rol van Minnie werd de creatie van de Duitse Diva Emmy Destinn die hiermee ophef maakte. Ook onder andere in de rol van " Salome " van Richard Strauss. De bariton Pasquale Amato nam de rol van Jack Rance voor zijn rekening. De premiére ging door bij aanwezigheid van de componist en de schrijver van het toneelstuk David Belasco alles onder de leidng van de legendarische dirigent Arturo Toscanini. 

Historische voorstellingen in de lagelanden.

Na New York 1910 volgde Covent Garden Londen een jaar later. De eerste uitvoeringen  aan de Scala had plaats in 1912 met Poli-Rondaccio, Martelli en Galeffi.

In Nederland werd deze opera in november 1912 reeds uitgevoerd met Magda Dorini, Nuzzio Bari en Luigi Mazzoleni en sedertdien nooit meer opgevoerd.

In België vooral te Gent moesten we wachten tot 1958 voor een Franse versie met Marie Louise Hendrickx als Minnie, De Gruyter als Wolke, Nardelli als Johnson en Lucien Cattin als Rance. In  1962/63 volgde een herhaling in het Italiaans en volgden er nog twee in 1972  en 1978. In 2003/04 was er nog een voorstelling aan de opera Vlaanderen in het kader van de Puccini cyclus van zeven Pucciniwerken zowel in de opera te Antwerpen als te Gent in het Italiaans goed voor twaalf voorstellingen. De recentste voorstellingen vind ik aan Opera Royal de Wallonie ( Luik), met Deborah Voight, Carl Tanner en Carlos Almguer. 

Historische opnames.

In het totaal 59 geregistreerde opnames op het internet.

1) de allereerste volledige opname van 1950 onder de leiding van Arturo Basile aan de Rai Milaan met Carla Gavazzi, Vasco Campagnanini en Ugo Savarese. Black disc. - Cetra OLPC 1215-1-3 (3Lp's).

2) een van 1958 onder Franco Capuana met Renato Tebaldi , Mario Del Monaco en Corneill MacNeil en Giorgio Tozzi. Blackdisc - Decca LXT 5463 - 5465 (3Lp's) en ook op CD bij Enero 2003 n° 161 54-55 ( 2 Cd's).

3) Op DVD onder Leonard Slatkin - Metropolitan Opera met Barbara Daniels, Placido Domingo  Sherill Milnes op DVD DDG cat:004400734023 (1 DVD). 

Puccini " La Fanciulla Del West " Weense Staatsopera.

Mooie podium prestatie van Jonas Kaufmann als Dick Jonhson in " La Fanciulla Del West " met als tegenspeelster Nina Stemme als Minnie en Trmasz Konieczny als Jack Rance aan de Weense Staatsopera met als dirigent Frans Welser-Möst.

Caruso, Destinn en Amato de drie hoofdrollen in " La Fanciulla del West " van Puccini. 1910

Enrico Caruso als Dick Johnson ( Ramirez ) aan de Metropolitan New York 1910.

Caruso, Emmy Destinn en Amato , scéne uit " la Fanciulla del West " .

Enrico Caruso (1872-1921)

Enrico werd enorm populair via zijn grammofoonopnames meer dan 260 tussen 1902 en 1920

Biografie.

Caruso was een italiaanse operatenor geboren te Napels op 25 februari 1873 en overleden te Napels op 2 augustus 1921. Hij zong met groot succes in alle grote operahuizen van Europa en Amerika. Hij had een breed repertoire van rollen In zowel Italiaanse als Franse opera's. Tussen 1920 en 1920 maakt hij meer dan 260 opnames waarvan er miljoenen fonoplaten over de toonbank gingen. Al deze opnames zijn vandaag nog beschikbaar op CD.

Het leven en carrière.

1) het leven.

Enrico kwam uit een arm gezin van zeven kinderen waar er maar drie van in leven bleven en volwassen werden. Caruso's vader was een monteur in een Italiaanse gieterij. Zijn vader dacht Enrico in dezelfde branche op te leiden en zo ging Enrico op 11 jarige leeftijd in de leer bij een werktuigkundig ingenieur Palmerie die in openbare waters fonteinen bouwde. Caruso werkte dan ook samen met zijn vader in een textielfabriek te Napels. Op aandringen van zijn moeder Anna Boldini volgde hij ook school in het basis onderwijs onder de voogdij van een plaatselijke priester. Hij leerde er schrijven en lezen. Tijdens deze periode zong hij ook in het Kerkkoor, hier werd zijn zangtalent ontdekt en overwoog hij muziek en zang te leren. Terug was zijn  moeder de stimulans voor zijn muzikale opleiding en zo naar een muzikale carrière, maar ze overleed in 1888 toen Enrico amper 15 jaar was. Om zijn familie te ondersteunen ging hij op pad als straatzanger in cafés en restaurants. Op 18 jarige leeftijd gebruikte hij zijn inkomsten van zijn optredens om een paar schoenen te kopen. Zijn zangcarrière werd voor 45 dagen onderbroken voor zijn verplichte militaire dienst, na deze tijd herneemt hij zijn zangles bij Vergine.

Op zijn 22 jaar volgt dan zijn officieel debuut op 15 maart 1895 in het Theatro Nuovo in Napels in de nu vergeten opera " L'Amico Francesco " van de componist Domenico Morelli. Er volgden enkel opdrachten in provinciale operahuizen onder de zangpedagoog en dirigent Vincenzo Lombardi die de ruwe diamant polijstte tot één van de grootste operavedetten aller tijden. Onder Lombardi's leerlingen behoorden ook Antonio Scotti, Pasquale Amato en de tenor Ferrando De Lucia. Deze zangers werden allen zijn collega's aan de Metropolitan te New York. Zijn carrière zou maar een vlucht nemen na zijn contract in 1900 aan de Scala van Milaan. Op 26 december debuteerde hij daar als Rodolfo in Puccini's " La Bohéme " onder de leiding van Arturo Toscanini. 

In deze nieuwe start van zijn carrière met Toscanini kwam hij langs alle grote operahuizen van Europa, te Monte Carlo, Warschau, Londen, verder naar Buenos Aires en in de cruciale periode van zijn carrière in het Marünky Theater te Sint. Petersburg en het Bolschoi Theater van Moskou voor de Tsaar en de Russische aristocratie. Zijn  eerste grote rol die hij creëerde was Louis in Umberto Giordano's " Fedora " in het Theatro Lirico van Milaan op 17 november 1898. In hetzelfde theater op 6 november 1902 zong hij de rol van Maurizio in Francesco Celia's " Adriana Lecouvreur ". Puccini schreef hem voor de rol van Cavaradossi in zijn Tosca bij de première in 1900 maar voor een tot nu toe ongekende reden koos hij toch voor de meer gevestigde waarde van Emilio De Marchi.

Enrico Caruso nam deel aan een groot concert georganiseerd door Toscanini ter gelegenheid en als herdenking aan het recente overleiden van de componist Giuseppe Verdi in 1901. Naast hem traden ook twee vooraanstaande tenoren op Francesco Tamango een persoonlijke vriend van Verdi die de rol van Otello had gecreëerd en Giuseppe Borgatti die de rol van Andrea Chernier had gecreëerd in de gelijknamige opera van Giordano. Caruso begon nadien aan reeks voorstellingen aan de Scala van Milaan. Ondertussen werd hij ook gecontacteerd  op 11 april door de Grammophon Company Typwrite, voor zijn eerste groep van akoestische opnames gemaakt in een hotelkamer te Milaan voor een bedrag van 100 pond sterling. Deze opnames zijn de vroegste opnames van 1898 onder pianobegeleiding van Leoncavallo. Deze groep van tien opnames werden snel bestsellers, ze helpen de 29 jarige Caruso zijn roem te verspreiden naar Covent Garden in Londen . Hij tekende er voor een gans seizoen voor optredens in 8 opera's veriërend van Verdi's " Aida " tot " Don Giovanni " van Mozart. Zijn succesvol debuut aan Covent Garden had plaats op 14 mei 1902 als de hertog van Mantuo in Verdi's " Rigoletto ". Hij zong er naast de Australische operadiva Nelli Melba die de rol van Gilda vertolkte in deze opera . Ze zouden in de toekomst nog veel samen optreden. Ze schreef later in haar memoires, over zijn geweldige stem maar prees hem minder als acteur in vergelijking met de toenmalige vedette  Jean De Rezke een van de grootste belcanto tenoren van het einde der 19° eeuw. In 1904 zou Caruso Jean De Rezke vervangen na diens afscheid en pensioen aan de Metropolitan te New York.

2) Zijn carrière aan de Metropolitan.

In 1903 reisde hij naar New York voor zijn contract aan de Metropolitan. Hij debuteerde er in 1903 ook in Verdi's Rigoletto, daar zong Marcella Senbrich de rol van Gilda. na een paar maanden ging hij in zee met de Victor Talking Machine Company voor het maken van nieuwe opnames. Deze relatie zou duren tot 1920. Van zijn opnames zouden miljoenen platen verkocht worden en dankzij zijn platen werd hij wereldberoemd. Hij zou zelfs opnames maken tot bijna aan zijn dood. 

Met de opbrengst van zijn platen zou hij zijn Villa " Bellosquardo " , een vorstelijk landhuis in de buurt van Florence kopen. Het zou zijn buitenresidentie worden om aan de druk van het podium te kunnen ontsnappen en om in familiale kring tot rust te kunnen komen. Tot 1920 had hij alleen al aan de Metropolitan 863 uitvoeringen afgewerkt we spreken dan nog niet van zijn talrijke belcantoconcerten en de talrijke optredens in de Europese en Italiaanse operahuizen.

3) De liefde.

In 1897 leert hij zijn eerste grote liefde kennen op het podium, de sopraan Ada Giacheti-Botti die toen zijn podium partner was in " La Traviata " van Verdi en " La Bohème " van Puccini aan de opera van Lovorno. Zij gingen een relatie aan zonder huwelijk die zou duren tot 1908 toen Ada hem zou verlaten voor een rijke Industrieel. Uit deze relatie worden echter twee jongens geboren, Rodolfo Caruso (1898-1948) en Enrico Caruso jr. (1904-1987) deze laatste zou ook een tenor worden en later een uitgebreide biografie over zijn vader schrijven.

Ada scheidde van haar eerste man de fabrikant Gino Botti en ging met haar zoon uit haar eerste huwelijk samenwonen bij Caruso. Deze relatie zou 11 jaar duren. De pogingen van Ada om Caruso te vervolgen om een schadevergoeding te eisen mislukten en werden afgewezen door de rechters.

Tijdens zijn wereldtoernee om aan de oorlog te ontsnappen leert hij Dorothy Park Benjamin (1893-1955) kennen. Zij was de dochter van een rijke New Yorkse advocaat. Ondanks de afkeuring van Dorothy's vader zijn ze toch getrouwd op 20 augustus 1918, zij kregen een dochter Gloria Caruso (1919-1999). Dorothy zou later 2 biografieën schrijven over haar man één gepubliceerd in 1928 en één in 1945. Deze boeken bevatten vooral brieven van Caruso aan zijn vrouw.

4) Zijn ziekte en dood.  

Op 16 september 1920, had Caruso besloten nog een paar opnamesessies bij Victor Virinity Church studio in Camdem New Jersey te maken. Hij maakte er verschillende opnames waaronder Dominie Deus en Crucifixis uit de " Petite Messe Solonell " van Rossini. Dit zouden zijn laatste opnames worden.

Dorothy merkte dat de gezondheidtoestand van haar man sterk achteruit ging eind 1920. Zijn zoon Caruso jr. schrijft in zijn biografie over zijn vader dat hij op een Noord- Amerikaanse tournee een klein ongeval had op het podium tijdens de repetities van de opera " Samson en Delilah op 3 december 1920 en dat er een pilaar uit het decor is omgevallen en Caruso in de nierstreek geraakt heeft zodat dit hem uiteindelijk fataal zou worden. Op 4 december dus 's anderendaags is hij , voor het optreden in " I Pagliacci " beginnen hoesten. Hij kreeg pijn in zijn zij en dit bleek een ernstige ontwikkeling van bronchitis en een stoornis van de luchtwegen te zijn. Ondanks de pijn bleef hij toch optreden en tijdens zijn optreden in l'Elexire D'Amore van Donizetti op 11 december kreeg hij opnieuw hevige hoestbuien en bloedingen waardoor hij zijn optreden moest geannuleerd worden. In januari 1921 verslechtert zijn gezondheidstoestand waardoor men beslist af te reizen naar Napels voor rust en herstel. Echter voor zijn afreizen naar Napels had hij al zeven chirurgische ingrepen ondergaan om vocht uit zijn longen en borst te verwijderen. Volgens zijn vrouw Dorothy leek hij wel te herstellen van een ingreep waarbij een rib was verwijderd. Na onderzoek bij een lokale arts kreeg hij echte nierproblemen en werd hem aangeraden de gebroeders Bastianelli te raadplegen in Rome om zijn linker nier te verwijderen . Op weg naar Rome moet men overnachten in het hotel Vesivio in Napels en kreeg hij acute complicaties met de nieren en is hij op 2 augustus 1921 in het hotel overleden. 

Zijn muzikale betekenis.

Tijdens zijn 25 jarige loopbaan van 1895 tot 1920 maakte hij alleen al 863 optredens. Zijn repertoire bestond uit 61 verschillende opera's dus ook 61 rollen. Hij creëerde echter in verhouding tot zijn optredens nauwelijks nieuwe rollen (8) waarvan de belangrijkste bij zijn debuut van zijn carrière in 1895 in " L'amico Francesco " van Morelli en in New York op 10 december 1910 in " La Fanciulla del West " van Puccini. Voor de rest passeren alle grote kasstukken de revue over de ganse wereld  om er enkel te noemen Rigoletto, La Traviata, L'Africaine, Il Trovatori, Tosca, Aida, Samson en Delilah, I Pagliacci, La Bohème van Leoncavallo en Puccini, enz..... Hij zong enkele rollen in het Frans op het einde van zijn carrière Eleazar in " La Juive " van Halévy in 1919 en Nadir  uit " Les Pecheurs des Perles " in het begin van zijn carrière in 1898. Hij zong ook nog twee Duitse opera's, in Wagners " Lohengrin" en de Goldmarkies in " Die Köningin van Saba ook bij zijn  debuut nog voor 1900.

Hij had ook een filmcarrière en speelde in twee stomme films in 1918 " My Cousin " van Edward José en in 1919 " The Splendid Romance " ook van Edward José. In de eerste film speelt hij de rol van Tonio in de opera " I Pagliacci " van Leoncavallo bij het uitvoeren van de aria " Vesti la giubba werd de muziek hierbij geleverd door begeleiding van piano en de voice via een grammofoonplaat van de aria. Het zou nog duren tot 1929 voor de filmindustrie met de sprekende film zou uitkomen.

Zijn concertrepertoire bestond uit meer dan 500 songs en liederen. Zijn grootste roem bereikte hij echter met zijn 260 opnames op grammofoon. Vele van de operazangers van zijn generatie verwierpen de fonograaf of grammofoon als gevolg van de minder kwaliteit van opnames.  Maar Caruso verwierf door zijn opnames zéér grote populariteit door de miljoenen verkoop van zijn platen. Toen ze de impact van dit medium zagen op het gewone publiek zijn zij ook begonnen met opnames te maken , maar dikwijls in de herfst van hun carrière zoals Adelina Patti, Rfancesco Tamangno, Nelli Melba en nog vele anderen , waardoor dikwijls de zangkwalitiet van deze uitvoerders al sterk aan het tanen was. 

Bij Caruso niet omdat zijn opnames lopen op het hoogtepunt van zijn kunnen. Zijn eerst opnames dateren van 1898 met akoestische opname technieken op één van zijn hotelkamers, hij was toen 26 jaar dan is er nog een reeks opnames door HMV in Engeland met reeds verbeterde technieken tussen 1902 en 1904. Vanaf 1904 tot 1920 gebeurden alle opnames  in de studio's van de Amerkiaanse platen firma  Victor Talking Machine later het lebel RCA Victor. Vanaf 1910 waren de opnames reeds electronisch en nam hij deel aan de eerste radio uitzendingen in de Verenigde Staten.

Door de jaren heen zijn zijn opnames blijven bestaan en zijn telkens maar verbeterd en opnieuw uitgegeven. In de jaren vijftig van vorige eeuw zijn zijn de 78 toerenplaten op 45 toeren en 33 toeren opgenomen en uitgegeven op LP's waar men op de beide kanten van de platen wel 12 tot 16 nummers kon laten horen. In 1970 zijn deze opnames voor het eerst verwerkt met digitale technieken. Sedert 1993 zijn er door RCA en EMI op elektronisch na-gesynchroniseerde versies op Dubbel CD's van de originele akoestische discs van Caruso en sedert 2000 - 2004 zijn al zijn  opnames heruitgegeven op verzamel CD's en terug uitgebracht in verzamelboxen door Naxos een 12 Cd set.   

Sextet uit Lucia di Lammermoor van Donizetti 1908

Het sextet uit " Luccia di Lammermoor van Donizetti is een klankopname van 1908 met Enrico Caruso en Marcel Journet in de hoofdrollen de ander acteurs zijn niet bekend. Het filmpje is echter van jongere leeftijd vermoedelijk 1911 . Het is een samengevoegde en gesincroniseerde film gemonteerd door George Mendel.
Dit is een uniek staaltje techniek die tijdgenoten van deze diva's nooit hebben kunnen zien.

  • Emmy Destinn (1878-1930)

    Emmy werd geboren in Praag in 1878 en overleed aldaar in 1930. Ze is geboren als Emelie Pavlina Venieslava Kittlova. Ze had toen eigenlijk de Oostenrijks-Hongaarse nationaliteit.
    Ze begon haar muziekstudie voor viool, het was de bedoeling dat ze zou schitteren als een vioolvirtuoze. Maar tijdens haar tienerjaren ontdekt ze haar stem en ze koos prompt voor een operacarrière . Vanaf haar dertien jaar neemt ze zangles bij een zangpedagoog Maria Loëwe-Destinn. Bij haar debuut nam ze Destinn als artiesten naam uit respect en eerbetoon aan haar zangleraar.
    Ze debuteerde aan het nationaal Theater van Praag. in 1897 en ook aan de opera van Dresden. Op 18 juli 1898 debuteerde ze aan de Hofopera van Berlijn als Santuzza in Mascagni's " Cavaleria Rusticana ". Ze maakte vlug vooruitgang en werd te Berlijn algauw de publiekslieveling op amper 19 jarige leeftijd. Ze zong te Berlijn tot 27 oktober 1909 en vertolkte er 54 opera's, waaronder 12 wereldpremières. haar bekendste rol was Salome in Richard Strauss' gelijknamige opera op 5 december 1906 .
    Vanaf 1901 neemt haar carrière een internationale wending met de rol van Senta in Wagners '" Vliegende Hollander " in Bayreuths Festspielhaus. Ze zong dezelfde rol in 1902. Haar Londens debuut aan Covent Garden's Royal Opera House kwam er op 2 mei 1904, als Donna Anna in Mozart's " Don Giovanni ". Ze verscheen er in verschillende opera's voor de twee komende seizoenen, met inbegrip van de Londense première van " Madama Butterfly " van Puccini , aan de zijde van Enrico Caruso. Haar Metropolitan debuut kwam in 1908 met groot succes in de rol van Aida van Verdi. Ze bleef er nadat haar contract aan de Berlijnse opera was afgewerkt. Twee jaar later creëerde ze er de rol van Minnie in " La Fanciulla del West " van Puccini terug aan de zijde van Caruso en de bariton Amato onder de leiding van Arturo Toscanini in 1910. Ze was zéér succesvol in de lichtere Wagner rollen alhoewel haar stem een grote omvang had. Ze blonk ook uit in Franse rollen vooral in Carmen waar ze de eerste rivaal werd van Calvé. Ze zong met brio de rollen van Aida, Madam Butterfly, en Leonore in Verdi's " Il Trovatore ".
    Zoals bij vele zangers van haar generatie werd haar carrière door de eerste wereldoorlog gehypothekeerd. Ze keert terug naar haar thuisland in begin 1914, maar door haar patriottische banden met de Tsjechische weerstand werd haar paspoort ingetrokken en werd ze geïnterneerd in haar kasteel voor de rest van de oorlog. Tegen de tijd dat ze terug naar de Metropolitan kon terugkeren in 1919 begon haar stem te tanen en was er ondertussen een ganse nieuwe generatie zangers in het New Yorkse bedrijf. Ze stopt haar carrière te New York in 1920 en keert terug naar Tsjecho-Slowakije, waar ze in 1923 op 42 jarige leeftijd trouwde met Joseph Halsbach, een Tsjechische luchtmacht officier en een oorlogsveteraan. Ze trok zich terug van het podium in 1926. Ze overleed aan een beroerte in Cerké Budejovice in Tsjecho-Slovakije een maand voor haar 52 ste. verjaardag. Ze is begraven op de Vysehrad begraafplaats in Praag.
    Destinn was een veelzijdige kunstenares naast haar loopbaan als operadiva, was ze ook dichteres en romanschrijfster; ze heeft ook enkel toneelstukken geschreven, maar geen enkele andere activiteit kon haar zangcarrière evenaren. In de fleur van haar carrière heeft ze ook tal van opnames gemaakt op 78 tr. platen tussen 1908 en 1914. Er zijn enkele opnames bewaard gebleven en op CD's terug uitgebracht op het RCA label. Alle opnames dateren uit haar eerste beroemde periode aan de Metropolitan van New York.

  • Pasquale Amato (1878-1942)

    Amato was een Italiaanse operabariton geboren te Napels op 21 maart 1878 en overleden op 12 augustus 1942. Hij was een tijdgenoot en collega van de beroemde tenor Enrico Caruso. Hij had een lang internationale carrière en het hoogtepunt van zijn roem was de creatie van rol Jack Rance de sheriff in " La Fanciulla del West " van Puccini. Hij zong aan de Metropolitan van 1908 tot 1921 vooral aan de zijde van Caruso.
    Amato studeerde aan het muziekconservatorium van San Pietro a Majella bij Beniamino Canelli en Vincenzo Lombardo, deze laatste had ook de tenor Enrico Caruso onder zijn hoede. Amato maakte zijn debuut in 1900 in het Theatro Bellini in Napels als Germont de vader in " La Traviata " van Verdi. Algauw volgden de andere Italiaans operahuizen zoals Genua en Rome. Zijn carrière startte ook internationaal met opdrachten in Monte Carlo, Duitsland, Oost-Europa en Argentinië. in 1904 zong hij aan het Londense Royal Opera House. Arturo Toscanini ontdekte hem in 1907 en hij start in Milaan aan de Scala. In 1913 wordt hij ook uitgenodigd om tijdens de herdenking van Verdi's honderdste geboortejaar op te treden in het Busseto Theatro, hij zong in " La Traviata " en " Falstaff "onder de leiding van Toscanini. Voor de eerste wereldoorlog vertolkte hij nog tal van toprollen zoals Amonasro, Marcello, Rigoletto, Goland, Kurwenal, Scarpia en Barnoba. In 1908 gaat hij samen met Toscanini naar New York aan de Metropolitan, hij zou er blijven zingen tot 1921. Hij zong er naast Enrico Caruso, Luise Homer, Alna Gluck, Olive Fremstad, Emmy Destinn, Dinh Gilly en Antonio Pini Corsi.
    Zijn grootste succes was de première van Puccini's " La Fanciulla del West " waar hij de rol van Jack Rance vertolkt naast Emmy Destinn en Enrico Caruso terug onder de leiding van Toscanini.
    Amato was inmiddels een beroemdheid geworden en kon zich meten met andere grote baritons en tijdgenoten als Tito Ruffo, Antonio Scotti en William Hinhaw. In 1913 zou Amato de titelrol in "Cyrano " van Waler Domisch creëren naast Frances Alda en Riccardo Martin. Men bewonderde hem ook als Escamillo in " Carmen"
    Door de hoge werkdruk en wat problemen met zijn gezondheid moest hij het wat kalmer aan doen en trok hij na 1920 terug naar Italië en nam hij afscheid van zijn publiek van de Metropolitan in 1921. 25 jaar na zijn debuut in Amerika verscheen hij er terug aan de New York Hippodroom in de rol van Germont uit " La Traviata " Het was alsof Amato naar Amerika werd gezogen om er te werken en hij werd er zelfs professor in stem en opera aan de Louisiana State University. Hij zou dit nog doen tot 1939, toen werd hij erelid van Phi Mu Alpha Sifonia Fraternity, een nationale broederlijkheid voor mannen in de muziek.
    Hij zou overlijden op 64 jarige leeftijd in Jackson Heigths Queens in 1942.
    Net zoals Caruso nam Amato tal van opnames van aria's en duetten op. Het werd ook een indrukwekkende verzameling van historische opnames tussen 1909 en 1920 onder de Victor Talking Machine Company in Amerika. De opname van 1914 van de aria " Eri tu " uit Un Ballo in Maschera van Verdi wordt door vele critici algemeen beschouwd als beste versie ooit op plaat vastgelegd. In 1928 zou hij nog een rol spelen in een Warner Bros productie, als Napoleon in de film " Glorious Betsy ".

Emmy Destinn als Carmen 1905

Pasquale Amato als Tonio in " I Pagliacci " van Leoncavallo 1909