De pre-geschiedenis van de Gentse opera 1698 - 1840

Jean Baptiste Lully (1632-1687)

Het prille begin 1698.

De eerste voorstelling van een opera waarvan men de naam kent  had plaats op 31 mei 1698, ter gelegenheid van de huldiging van de eerste stadschouwburg op de Kouter en ook ter gelegenheid van de ( grote ommeganck van de Augustijnen ). Men gaat er van uit dat de aller eerste keer dat eind 16° eeuw " Daphne " van Jaco Peri (1595) en " Euredice " van (1600) en " l'Orfeo" (1607) van Claudio Monteverdi de eerste geschreven en volledig bewaard gebleven volwaardige opera's zijn. Er zullen  wel nog werken vroeger zijn gecomponeerd, maar het zijn deze hoger genoemde werken die niet door de tand des tijds zijn verloren gegaan.

Het is dus bijna honderd jaar later dat de toneelwerken op muziek en met zang tot ons zijn gekomen. Onze streek stond politiek sterk onder de invloed van Versailles. De eerste volwaardige opera was dan ook  "Thésée " (1675) van Jean Baptiste Lully (1632-1687) die hofcomponist was bij Lodewijk XIV, maar die van Italiaans komaf was geboren te Florence, die men hier kon bewonderen op 31 mei 1698. Lully was toen al elf jaar overleden. 

" Thésée " werd toen opgevoerd door het gezelschap Gio-Paolo Bombarda (die te Brussel vanaf 1695 de directie van de schouwburg aan de "Quai au foin " waargenomen had en die in 1700 de voorloper van de huidige Muntschouwburg deed openstellen ) Tijdens de voorafgaande onderhandelingen met het stadsbestuur werd het gezelschap  van Bombarda vertegenwoordigd door de zanger Joseph Joanny, die de zoon was van de weduwe Joanny die in 1686 voor het eerst lyrische werken in Gent had laten opvoeren. Het aantal voorstellingen als ook de rolbezetting is niet met zekerheid bekend, men veronderstelt 12 vertoningen. Dit zijn gegevens die voor de 19°eeuw zelden werden vermeld. Deze lyrische voorstellingen werden wel gevolgd door andere. Men vond een reeks archiefstukken uit de maand november 1698, waaruit blijkt dat de dansmeester Pieter Loeillet ook een telg uit de Gentse muziek dynastie van de familie Loeillet. ( Jacque en Jean Baptiste Loeillet de Gand 1688-1720 ) gedurende één maand Pierre-Antoine Fioco, de directeur van de opera van Brussel onderdak heeft gegeven. Reeds in juli 1706 had men reeds een permanent gezelschap dat de naam droeg " Academie Royal de Musique " waarover toen tamelijk veel werd geschreven en waar ook veel gedrukte documenten bestaan.

De " Gazatte van Gend " vermelt dat de " Conincklycke Academie van het Musieck opgerecht in deze stadt Gend " gedurende het seizoen 1707/08 wekelijks driemaal te Gent en driemaal te Brugge zal spelen. De meeste gebruikte libretto 's werden te Gent gedrukt en zo zijn  er vier stukken van het repertoire van het toenmalige gezelschap bekend.

" l' Europe Galante " van Campra  een typische ballet-opera. " Phaéton " van Lully en daar nog bij twee gelegenheidsstukken van Questnot de la Chénée, eerste directeur van de academie: " La Bataille de Ramelie " en " La Bataille de Hogstet ". In die tijd was Gent de enige provinciestad van de Zuiderlijke Nederlanden dat een regelmatig gezelschap bezat.

De eerste Theaterzaal of Stadschouwburg. 

Een eerste officiële toneelzaal te Gent was " De Comediante Caemere " in de Collatiezolder boven de huidige gemeente raadzaal van het stadhuis. Vanaf 1594 werden daar door verschillende rondtrekkende Italiaanse, Engelse, Franse, Hollandse en Duitse gezelschappen opvoeringen gebracht in het genre " Commedia dell' Arte " Deze zaal kreeg in 1674 een andere bestemming en werd omgevormd tot  wapenopslag arsenaal der burgerwacht.

De theateractiviteit verhuisde dus naar een andere locatie, de toneelzaal van de Sint-Bastiaansgilde in hun 16° eeuwse gildehuis. In het hof van Sint.-Sebastiaan op de Kouter, en naar het " Gancxken " in een voormalige gotische kapel achter het huis " De Tanghe " ( Nu Hotel Hamelicnk of Van Branteghem ) op het Sint-Baafsplein, met een uitgang via een smal steegje of gangetje in de Mageleinstraat.

Op 26 mei 1688 kocht de stad van de Sint-Bastiaansgilde het terrein langs de Ketelvest tot aan de vrije Schipperkapel om er een overdekte paardenmanège te bouwen de " Pickerye " maar in 1698 beslisten de schepenen de manège om te bouwen tot een " Comedieplaetse en de tot het doen van andere vertoonynghen ". De transformatiewerken duurden 5 maand. De interieurdecoratie werd toevertrouwd aan de Gentse schilder " Norbert Sauvage Junior, zoon van de beeldhouwer met die naam. De hoger genoemde voorstelling van " Thésée " huldigde de nieuwe zaal plechtig in. De publieke belangstelling was danig groot dat de voorstelling 11 keer werd herhaald. Rond 1710 werd er ook nog gewag gemaakt van   gastvoorstellingen door het gezelschap van de toenmalige Muntschouwburg. 

Er volgt nu een grote leemte tussen 1711 en 1715, het jaar van het uitbranden van de stadsschouwburg. Het zou duren tot 1735 voor er een nieuwe Sint.-Sebastiaans operaschouwburg kon ingehuldigd worden.

Platte grond van de Kouter met rechts in het midden het gildenhuis van de Sint.-Bastiaanus gilde waar de eerste stadschouwburg was gevestigd.

Jean Baptiste Loeillet van Gent (1688-1720) Gents componist en diplomaat.

De tweede periode van bloei voor de Gentse opera tot 1794

Deze tweede periode nu van de Sint.-Bastiaansschowburg is van 12 maart 1737 tot 1745. Daar ontdekken we enkele merkwaardigheden. Vanaf het begin beschikte het theater over een vast gezelschap en tevens over een eigenaardig systeem van abonnementsvoorwaarden . De abonnees moesten eerst hun loges bij de gilde bespreken en huren op een veiling, en later moesten ze daar het gebruikelijke abonnementsgeld boven op betalen aan de directeur van het gezelschap.

Vanaf toen tot begin van de 20° eeuw kende ieder speelseizoen een andere directeur, zodat de lijst van directeurs in Gent vele namen gemeen heeft met andere schouwburgen van Brussel, Antwerpen, Luik en Amsterdam. In 1742 kwam de beroemde tragedienne Clairon als gast. Op 15 oktober 1742 creëerde de Gentse opera " Le Bouquet de la Reine " een divertiment-ballet " Ter ere van Marie-Theresia en op 28 april 1744 volgde de creatie van een " Prologue " van de komediant Vermeil ter ere van de Aartshertogin en haar gemaal Prins Karel. 

Vanaf 1745 onder de Franse bezetting van (1745-1749) hadden we hier een directeur van eerste rang in dienst voor het speelseizoen 1745/46: Charles-Simon Favart niemand minder dan de hoofdfiguur uit de geschiedenis van de Parijse Opera-Comique. Hij was er niet in geslaagd te beletten dat in die schouwburg tijdelijk niet meer mocht gesproken worden, ten gevolge van een raadsbesluit van juni 1745 op aanvraag van de " Comédie- Francaise ". Er werd nog alleen aan pantomime gedaan en Mademoiselle de Chantilly deed dit zo goed dat ze het hart van Favart veroverde en ze Madame Favart werd op 10 december 1745. Intussen was Gent door het leger van de graaf Lowendal veroverd op 12 juli 1745 en in 1746 vertoefde de Maarschalk von Saksen binnen de muren van de stad en ontbood er Favart om een komediantengezelschap te leiden. Favart nam dit voorstel aan en kwam hier wonen met zijn vrouw. Uit dit gezelschap werden er twee gevormd. Het ene ten dienste van de graaf van Lowendaal met Parmentier als directeur en het andere van de maarschalk, die reeds de minnaar was van Adrienne Lecouvreur(comedienne) was geweesten die trachtte ook mevrouw Favart te verleiden.

In die periode vertolkte het gezelschap voornamelijk toneelstukken van Favart zelf, maar ook andere van Crélillon en Céran. Later zou dit gezelschap verhuizen naar Brussel aan de Muntschouwburg. Vanaf 1755 zou Nicolas d'Hannetaire (Grenoble 1718-Brussel 1780) de directie waarnemen, hij heeft ook een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de Muntschouwburg, waar zijn dochters Eugenie en Angelique beroemde zangeressen werden.. In 1756/57 werd er waarschijnlijk ook Italiaans gezongen , door de directie toevertouwd aan de befaamde Italiaanse diva Mevr. Pompeati en voor 1757/58 kwam de directie  van de Gentse opera toe aan Pierre Joseph Leblan. Die was geboren in Zinnik in 1711 en was componist beiaardier van de stad Gent sinds 1745, in 1752 had hij een bekende reeks klavecimbelsuites laten verschijnen en in 1763 gaf hij in de Sint.-Sebastiaansschouwburg een recital op een glasharmonium dat hij zelf ontworpen had. in 1760 richte de Sint.-Sebastiaansgilde een permanent orkest op voor de bediening van de schouwburg. Dit orkest bestond uit 21 muzikanten , 5 eerste violen, 5 tweede violen, 2 celli, één contrabas, 2 hoornen, 2 fluiten, 2 fagotten  met een dirigent aan de klavecimbel in deze periode was het de mode dat de dirigent mee musiceerde met het orkest. Men noemde dit Mozartiaans. Het orkest stond rechtstreeks onder het beheer van de gilde tot 1775.

Van het toenmalige repertoire was zéér weinig geweten, men veronderstelt dat er uit het repertoire van de Opera Comique en de Muntschouwburg vele stukken door de directies werden uitgeleend. Sinds 1769 onder Bernardy beschikt men voor het eerst over een collectie van zes gedrukte programma's ( van 9 tot 19 maart 1769) ze vermelden 6 opera's . " Nanette et Lucas " van d'Herbain, " Le roi et de Fernier " van Monsigny, " Le Boucheron et le Maréchal Ferraut ", van Philidor, " Le Peintre Amoureux de son Modéle " van Duni en " Le Tonnelier " van Audinot en een aankondiging van " Tom Jones " van Philidor. Bovendien waren er ook balletten en lokale creaties van Adelayde du Guesclin van Voltaire op 14 maart 1769.

In de seizoenen 1769/70 ging de directie failliet en de artiesten vormden een vennootschap om het seizoen te kunnen beëindigen. Dergelijke situatie zal zich in de geschiedenis van onze Gentse opera wel 22 maal voordoen.( De laatste maal in 1910/11).

Vanaf 1778 - 1794 is het repertoire volledig bekend vooreerst door een collectie gedrukte  programma's en later in publicaties. 

Schets van de voorgevel van de Sint.-Sebstianusschouwburg.

Charles-Simon Fafart (1710-1792) Frans auteur en librettist was van 1746-1748 directeur van de Munt.

" Vlaemschen Indicateur "

Vanaf 1778 werden ook stukken van eigen bodem geprogrammeerd van zoals de Gentse  componist Pierre Verheyen (1747-1819) die een leerling was van Ingatius Vitzthumb ( die de Muntschouwburg heeft bestuurd tot 1777). Stukken zoals " Le Jardin de l'amour " en " De Jachtparty van Hendrik IV. Verheyen was zéér vertouwd met de lyrische kunst alhier daar hij zelf zanger geweest was in het gezelschap van Neyt te Brugge en in dat van Brussel onder Vitzthumb.

Het seizoen 1779/80 en 81 behoren tot de briljantste van heel de geschiedenis van de Gentse opera. De opera werd geleid door Vitsthumb die de ervaring had van aan de Munt. Hij leidde ook zelf het orkest en die had de muzikanten vermeerderd tot 27 wat voor de begrippen van die tijd een groot orkest was. 

Een andere nieuwigheid was dat het voeren van een stemming door de logeleden werd afgeschaft , waardoor de abbonnees artiesten bejubelden of uitfloten  om hun mening te laten kennen. Het gezelschap was uitstekend het was reeds gesplitst in een Franstalige sectie en een Nederlandse sectie.

Dit is een zéér belangrijk feit van historisch belang aangezien dit door de geschiedschrijvers angstvallig werd vermeden om daar iets over te schrijven. De Nederlandse sectie bestond uit 9 vaste solisten + koor. Deze inlichtingen zijn bekend uit  de " Eerste Versaemelig van Fransche en Neder-Duytsche Arias, Duos & Trios. Getrokken uit Verheyens operas op den schouburg van Gend ", uitgave 1780 . Ook werden er andere werken van andere componisten vertoond zoals Orphée et Euredice van Gluck, onder andere ook van Monsegny , Philidor, Gossec en Dezéde en vooral veel werken van Grétry. Toen woonde deze Luikse componist Jean -Joseph-Celestin Grétry (tussen 1776-1783) naast de hoek gevormd door de Kouter en de vogelmarkt. Hij was de broer van André -Modest Grétry. We vinden Celestin terug als titularis van de tweede contrabas aan de Gentse opera hij maakte daar deel uit van het vaste orkest dat toen al uit 27 muzikante bestond. De Luikse componist André Grétry (1741-1813) compneerde niet minder dan 67 opera's en zou later aan de Opera Comique te Parijs samen met Jaques Offenbach aan de basis liggen van de Franse operettes. Er zijn nog enkele van die werken die nu nog repertoire houden  zoals " Pierre le Grand " Grétry zou later zelfs huiscomponist worden aan de Opera Comique en zich in Parijs vestigen.

In die periode waren er ook twee lievelingsartisten van het publiek de heer en mevrouw Mees. De bas-bariton Heintje Mees en zijn echtgenote Marie Vitzthumb dochter van de vroegere directeur van de opera. 

We vinden in de ( Vlaamschen indicateur volgende beschrijving terug. ) 

" Mme Mees heeft benevens de begaeftheden die sy van haeren vader M.Vitzthumb geërft heeft, de trekken van een lieftalige gestalte, en een naturelyk en uytmuntende spel,in de mogelyke kennissen van den theater ". 

Ze traden ook nog regelmatig op te Gent tot aan het Franse bewind. Hun Oostenrijkse afkomst en de sympathieën van het gezin deden ze vluchten naar Hamburg, waar hun zoon Joseph-Henri Mees dirigent en muziekuitgever werd. De dood van de keizerin Marie Theresia zorgde voor een lange onderbreking want Vitzthumb werd dan kapelmeester te Brussel. Tussen het einde van zijn beleid en het Franse bewind wisselden de Franse winterseizoenen af met Italiaanse seizoenen. In 1793/94 was er ook een Nederlands seizoen.

André Modest Grétry ( 1741-1813) Luiks componist.

Pieter Verheyen (1747-1819)

Een derde periode van 1794 tot 1814.

Gedurende de eerste jaren van het Franse bewind was het opvoeren van allerhande revolutionaire liedjes en stukken verplicht. De Gentse Opera werd later iets vrijer gelaten en erkend als één van de drie vaste gezelschappen in Belgische departementen. 

Op 21 maart 1807 kreeg hij dan ook de eerste subsidie van de stad ( vroeger kreeg de directie geen subsidie en moest hij zelfs huurgeld betalen) . Het orkest telde ondertussen al 28 muzikanten want er waren trompetten en pauken bijgekomen. De stemming door de abbonees die ingevoerd was door Vitzthumb was al afgeschaft.

Merkwaardig genoeg werden in die periode nog nooit zoveel werken van eigen bodem vertoond. Zo zien we in 1795/96 de creatie van " Le Bilan ou le Sacrifice " van Gentenaar Emmanuel van Acker, " Arlequin Magicien " van Pieter Verheyen (1747-1819) , " La  Ruse Villageoire " de eerste opera van Karel Ots (1775-1845) , Ots was toen violist aan de opera, van zijn hand is ook " David Teniers" (1818) en " Jean Second " (1816) dit laatste op een libretto van Adolphe Quetelet. Ots dochter Emelie geboren te Gent op 24 april 1808 maakte haar debuut als Rosina in Rossini's " Il Barbieri Di Seviglia" in 1824. Later verliep haar carrière aan de Opera Comique te Parijs.

Gilden en neringen werden afgeschaft op 2 mei 1796 en zo werd de schouwburg nationaal goed en in 1798 verkocht aan een naamloze venootschap. Die beleefde moeilijke tijden door de concurrentie van het " Theatre des Varietés et Amusantes " dat gevestigd was in de Parnassusschouwburg, dat een flink gezelschap bezat met onder andere de familie Hanssens drie gebroers die dirigent, regisseurs en zanger waren ook te Brussel. Zij verlieten de kleine Parnassusschouwburg om de directie waar te nemen aan de Gentse opera tussen 1804-1806. Karel Lodewijk-Joseph Hanssens zou zelf later in 1822 tot 1825 directeur worden aan de Muntschouwburg en directeur van opera Gent in 1848/49.

In 1816 terug een creatie van eigen bodem " Les deux couper " van Louis Constant Ermel ( Gentse componist 1798-1871). Als Gentse directeur en dirigent vermelden we nog Ambroise Feny Gentenaar van geboorte 1775. Naast werk van eigen bodem in de Franse periode ook werk van Cherubini, Spontine, Méhul, Dalayrac, Boeëldieu en Isouard. Op 11 oktober ging zelfs de primière door van Mozart's " Don Giovani " Wat zangers betreft moeten we ook de Brusselaar Frans van Campenhout vermelden ( 1779-1848) deze was de toekomstige componist van het Belgische Volkslied. Hij was eerst violist aan de Muntschouwburg. Hij zou in 1805 als beroepszanger optreden als contratenor. Bij de buitenlandse vedetten moeten we de bariton Jean-Blaise Martin (1768-1837) vernoemen die hier regelmatig optrad sinds 1804 en van wie de naam nog steeds gebruikt wordt om een lichte bariton aan te duiden, zoals bariton-Martin ( de laatste Belgische bariton-Martin was Armand Crabbé 1891-1948 ). En ook Pierre Elléviou (1769-1842) van wie de tenorstem ook een prototype was , alsook het echtpaar Gavaudan men sprak ,toen ook van tenor-Gavaudan. Het was toen de mode om een typestem te vernoemen naar een vroegere vergelijkbare vertolker. Er werd toen ook afwisselend Franse, Nederlandse en Italiaanse voorstellingen gegeven tot 1814.   

Tekening van de voorgevel va, de kleine "Parnassuschouwburg "

Frans Van Campenhout Brussels componist en contratenor zou later de componist van het Belgische volkslied worden

Het Nederlandse regime van 1815 tot 1830.

De vierde periode vangt aan van 1815 onder het Nederlandse bewind van Willem Van Oranje na de slag van Waterloo tot na de Belgische omwenteling 1840. De stadsubsidie die gedurende het  Franse régime werd ingevoerd werd reeds in 1811 herleid tot 4000 Fr en viel nu helemaal weg. De Directeur kreeg nochtans van 1821 af een voorschot van 3000 Fr. Het armengeld werd definitief afgeschaft in 1821 en het stadsbestuur hielp de schouwburg verder door aankoop van partities. Het spektakelbedrijf was toch heel rendabel want de schouwburg bleef dagelijks open het hele jaar door.

De orkestratie van de nieuwe werken werd zwaarder en telde vanaf 1821 33 muzikanten. In 1819 terug een creatie van eigen bodem " l'Heure du Rendez-vous " van Auguste-Philippe Baron de Peeleart (Brugge 1793-1876). Hij was militair, schrijver, schilder en musicus. Hij heeft niet minder dan 12 opera's nagelaten, meestal op een eigen libretto.

Muzikale hoofdfiguren van die periode was echter Martin Joseph Mengal (Gent 1784-1851). Hij studeerde aan het conservatorium van Parijs en was er een beroemd hoornist, dirigent en componist. Zijn eerste lyrische werken gaf hij aan de Parijse Opera-Comique " Un Nuit au Chateau " (1818) en " Les Infidèles " (1823) bleven er twintig jaar repertoire houden zij werden ook te Gent opgevoerd tussen 1825 en 1833. Voor Gent creëerde hij " Le Vampire " (1826) , " Lapothéôse De Talma " (1828) en " Un Jour a Vaucluse " (1830) , drie van zijn lyrische werken kwamen dus hier op het podium. Hij werd de eerste directeur van ons Gents concervatorium in 1835, toen nog muziekschool. Er werden ook nog werken gespeeld van F.J.Fétis uit Mons (1784-1846) die we nu beter kennen als musicoloog dan als componist.

Nog twee andere werken van Frans van Campenhout " Passe partout " en Le Chateau De Lochleven van Jan Pieter De volder uit Antwerpen (1777-1841) Van 1824 af was De Volder immers gevestigd te Gent als orgelbouwer, men schrijft hem de uitvinding toe van de expresieve pedaal en zijn toenmalige bekendheid als componist werd sterk in het daglicht gesteld door shet concert van 22 april 1825 te Londen gegeven door de beroemde sopraan Angelia Catalani. Een symfonie van de Volder gespeeld door een orkest van 180 man, voor die tijd een mega-orkest. Zijn " Chateau De Lochleven " werd echter een fiasco dat de componist sterk ontmoedigde. Zijn dochter Eugenie De Volder werd echter een goede sopraan. In deze periode speelde men ook werken van Auber, Rossini, Meyerbeer, de Gentse Opera was de eerste die na de Parijse Opera-Comique " Carafa"s Masniello " opgevoerd heeft in 1828 

Onder de beroemde vedetten die de vertoningen tijdens  het Nederlandse régime kwamen opluisteren, moeten we enkele namen vermelden: de Coloratuur-sopraan Angelia Catalanie (1780-1849), tenor Gavaudan, bariton Martin, tenor Van Campenhout, de sopraan Laure-Cinti Damoreau die in Parijs aan de Opera-Comique " La Muette de Portici " van Auber gecreërd had en die hier tal van opera's van Rossini en Auber kwam zingen samen met de beroemde tenor Adolphe Nourrit ook de creator van " La Muette de Portici " en Rossini's " Guillaume Tell " en Meyerbeers " Les Huguenotes " en Halevy's " La Juive ". De Gentenaars hebben hem hier kunnen toejuichen in Glucks  " Orphée " Dit zijn wel allen werken die ook vandaag nog repertoire blijven houden. Ook de tenor Elleviou en tenor Nicolo Isouard, de broer van de gelijknamige componist, in 1823  trouwde hij met de eerste sopraan Adelaide Ternaux en werd hij directeur van de Genste opera in 1827/28.

In de korte periode tussen 1830 en 1840 is er niet zoveel te vertellen enerzijds door de verwarring tijdens de Belgische omwenteling en anderzijds omdat de voormalige Sint.-Sebastiannusschouwburg reeds afgebroken was in 1837 en de Parnassusschouwberg tijdelijk moest gebruikt worden voor opvoeringen maar eigenlijk veel te klein was en dus niet zo geschikt voor operavertoningen. 

De stadssubsidiëring werd terug ingevoerd en bedroeg weldra 10 00 Fr. + 3500 Fr. gratificaties voor de periode van de Parnassusschouwburg. In 1830 was Van Campenhout geen lid meer van het gezelschap, hij was teruggekeerd naar Brussel waarbij hij na de ongeregeldheden het Belgische volkslied componeerde . Hij zong dit nog als gast op 4 november 1830 maar dit werd allerminst gewaardeerd door het Gentse publiek die sterke Orangistische Sympathieën hadden. We moeten nog vermelden dat er in 1832 belcantoconcerten waren met de beroemde en legendarische sopraan Maria-Felicita-Garcia-Malibran op 22 april voor de Gentse Opera met de medewerking van de Belgische violist Bénoit, met wie ze in 1836 zou trouwen, Ze was toen hoog zwanger en zou in Londen overlijden na een  ongeval met een koets en paarden.  In de tijdelijke schouwburg Parnassus zou er tussen 1837 en 1840 nog een schitterend Duits seizoen gegeven worden door het gezelschap van Köchkert.

Foto verantwoording:

Diamontage:  1) Beeld van de kouter einde 17° eeuw.

                   2) Componist Jaen-Baptiste Lully (1632-1687)

                   3) Beelden van de opvoering van de eerste opera " Thésée "

                   4) Opera " Thésée " te Gent opgevoerd 1698

                   5) Geschilderd beeld van de Kouter  begin 18° eeuw  

6) Plattegrond van de Kouter met zicht op de Sint.-Bastianusgilde.

7) De Gentse componist Jean -Baptiste Loeillet de Gand (1688-1720)

8) Schets van de voorgevel van de Sint;-Bastianusschouwburg.

9) Charles Simon Favart directie Muntschouwburg en Gentse Opera

10) Luikse componist André Modest Grétry (1741-1813)

11) Gentse componist Pierre Verheyen (1750-1819)

12) Tekening van de voorgevel van het voorlopige theater " Parnassus "

13) Belgische componist Frans Van Campenhout (1779-1848) componist van het Belgische volkslied. 

14) Coloratuursopraan Angelia Catalani 1780-1849.

Angelia Catalani 1780-1849