Vier eeuwen opera

Inleiding.

A. Oorsprong van de opera.

Opera is voor sommigen de ruimste vorm van kunst en voor anderen weer niet. Beiden hebben gelijk. Door het samengaan van zang met tekst verbindt de opera muziek met literatuur. Door het samenbrengen van het orkest met toneelactie en decor verbindt de opera een auditieve met een visuele kunst. Zo omvat opera in zijn geheel woord en melodie, gebarenspel en geluidsordening, een boeiend spel voor het oog en treffende indrukken voor het oor.

In de 21° eeuw spelen nu ook de filmindustrie met hun digitale technieken een grote rol vooral in het auditieve en visuele beleven van een opera. Met de homecinema en de grote flatscreens komt het theater tot in de huiskamer. Het doel van de componisten is dan ook , door middel van de grootst mogelijke verscheidenheid van zintuiglijke gegevens en technieken, tot volle sterkte en eenheid van uitdrukking te komen. Uiteraard is dat voor de barokcomponist of voor een componist uit de 20° en 21° eeuw van een gans andere orde.

Wat de muziek daardoor aan ruimte wint, verliest zij aan zelfstandigheid. De geluidsordening is er niet uitsluitend omwille van zichzelf, maar ook voor de verduidelijking van wat er op het toneel gebeurt. De zang heeft niet alleen muzikale waarde, maar dient tevens om het karakter van de personages weer te geven. En de orkestrale passages berusten niet op een zuiver muzikale gedachtengang, maar zij moeten vooral de omgeving, de situaties en de gebeurtenissen verduidelijken en omschrijven.

Men moet nu niet overdrijven en denken dat opera omdat hij minder zelfstandig is dan een symfonie daarom artistiek minderwaardig is. En omgekeerd beweren dat de opera omdat hij zintuiglijk ruimer is dan een strijkkwartet daardoor artistiek een grotere waarde heeft.

Wat een kunstvorm een muziekstuk of welk kunstwerk dan ook waardevol maakt, is niet de breedheid en de vorm van het genre, maar uitsluitend de menselijke uitdrukkingskracht die een bepaald kunstenaar in een bepaald werk heeft weten te bereiken , is het een schilder, schrijver, zanger of componist. Zo bestaan er opera's die ondanks de afhankelijkheid van de muziek tegenover de toneelactie, meesterwerken zijn, terwijl andere opera's ondanks de verscheidenheid van wat er te zien en te horen valt, vervelende smakeloze of dwaze werken zijn.

U mag samen met mij op zoek gaan naar wat in de ontwikkeling van de opera, aan concrete resultaten door de eeuwen heen werd bereikt, en wat van het ene tot het andere werk aan muzikale schoonheid en menselijke expressie verwezenlijkt werd. Dit ontdekken is het hoofddoel van mijn betrachtingen.

Daarnaast is er nog een belangrijk doel in de marge. Elke kunstvorm, dus ook de opera , is de weerspiegeling van de stoffelijke levensomstandigheden en de geestelijke toestanden die heersten in het milieu waarin een bepaalde kunstvorm beoefend werd. Daarom is de geschiedenis  van de opera  ook een middel om iets te weten te komen over de beschavingsvorm , over de groei van de maatschappelijke verhoudingen , over de gedachten en gevoelens van bepaalde volkeren, mensen over de generaties heen. Doorheen deze vier eeuwen  van het ontstaan van de opera wil ik ook iets ontdekken over de verlangens en de verwachtingen  van mensen die deze werken voortbrachten, en van de mogelijkheden  en werkelijkheden waarover de mensen voor wie die werken opgevoerd werden, konden beschikken.

Daarom ook is de opera van vandaag de weerspiegeling van feiten en verbeeldingen , van angst en hoop van hedendaagse mens en van onszelf. Vergelijk maar hoe aan de eigentijdse opera's uitdrukking wordt gegeven aan het chaotische levensgevoel dat voor de jongere generatie van vandaag zo typisch is.

 

B. Het ontstaan van de Barokopera.

De opera in zijn strikte structuur , is ontstaan op het einde van de 16°eeuw, als een typisch renaissanceverschijnsel . Eigenlijk vindt men reeds vroeger verwante kunstvormen. Dit is een algemeen menselijk verschijnsel, omdat de mens in welk maatschappelijk verband hij ook leeft een wezen is dat op twee universele en gelijkblijvende wijzen met zijn medemensen wil communiceren, door gebarentaal en door vocale taal.

Een merkwaardige voorloper van de opera is de madrigaalcomedie, dit is een pantomime waarbij de acteurs enkel gebaren maken en zingen noch spreken. Achter het toneel verborgen voor het publiek staan koorzangers opgesteld die de madrigalen uitvoeren, deze madrigalen  vertolken de dialogen van de personages. Eén van het  meest beroemde voorbeeld van zulk een madrigaalcomedie is , "  L'Amfiparnasso " (1598) van Orazio Vecchi (1550-1605) . Sommige bronnen beschrijven dit zelfs als een  van de vroegste gekende opera's. Orazio Vecchi heeft eigenlijk maar pas voor het eerst een opera gehoord en gezien , gecomponeerd door Jacopo Peri in 1600 zijn " Euridice " die algemeen erkend wordt als eerste opera. Eigenlijk had hij reeds een vroeger operawerk gecomponeerd in 1595 " Daphne " maar dit werk is door de tand des tijds verloren geraakt, waardoor algemeen aangenomen wordt dat " Euredice " de allereerste compositie is die als opera kan benoemd worden. " l'Orfeo " van Claudio Monteverdi (1561-1643) dateert van 1607 een latere herziene en definitieve bewaard gebleven versie van 1609. 

 

C . Waarin onderscheidt de opera zich van de madrigalen,

      motetten en Oratoria.

Rond 1580 ontstaat een groep van intellectuelen - geestelijken en geleerden uit die tijd, die zich samen schaarden rond de figuur van Giovani de' Bardi (1534-1612) Graaf van Vernio een componist en toneelschrijver, ze noemden zichzelf de " Florentijnse Camerata " ook de " Camerata Bardi ". Het waren niet de eerste de besten die deel uitmaakten van die groep. We citeren enkele volgende namen: Giulio Caccini (1551-1618) componist, zanger, geestelijke, Vincenzo Galilei (1520-1591) componist en muziektheoreticus, Girolamo Mei (1519-1594) historicus en humanist, Jacopo Peri en Corsa behoren ook tot die groep.

Girolamo Mei die een deskundige was op gebied van de Griekse oudheid had een diepgaande studie gemaakt van de muziek die gebruikt werd bij de Griekse theatervoorstellingen. Een van de conclusies was dat de tragedies en komedies door de Grieken gezongen werden, eenstemmig wel te verstaan. Daarbij waren ze in staat om de toeschouwers tot tranen toe te roeren. Dat laatste sprak de heren van de Camarata zo aan, dat ze op zoek gingen gaan naar muzikale middelen om in hun tijd hetzelfde te bereiken.

Voor ons spreekt het vanzelf dat muziek gemaakt is om ons emotioneel te raken, dat we ons bijna niet meer kunnen voorstellen dat het ooit anders is geweest. Toch werd het in de Middeleeuwen en in de Renaissance niet zo belangrijk gevonden wat de emotionele reactie van de luisteraar was. Het ging er meer om hoe muziek was samengesteld of gecomponeerd was. Het meerstemmige bouwwerk was in de eerste plaats een doel op zich. De geleerde heren van de " Camerata Bardi " hadden dan ook grote moeite met de meerstemmige muziek. Een meerstemmig motet van Nicolas Gombert (1495-1550) geeft de luisteraar allerlei indrukken door elkaar te verwerken. Deze constructie kon voor de camerata niet meer goedgekeurd worden. Er moest één stem tegelijk klinken. Dan had de muziek de gelegenheid om de luisteraar te ontroeren. Dit leidde tot de uitvinding van de monodie, een manier van zingen waarbij één zangstem tegelijk klonk, die begeleid werd door enkel eenvoudige akkoorden. Deze nieuwe stijl werd in de eerste plaats toegepast op het toneel.

De eer om de eerste opera te componeren gaat naar de componisten Peri en Corsi die in 1595 muziek schreven voor de opera " Daphne ". Deze muziek is echter verloren gegaan. De vroegste opera waar we de muziek wel hebben is " Euridice " met muziek van Jacomo Peri en Giulio Caccini. De publicatie van deze opera in 1600 markeert een belangrijke vernieuwing in de westerse muziek. Dit jaartal wordt ook beschouwd als het begin van de " Barok " . De opera's gecomponeerd tot de 2° helft van de 18° eeuw noemen we dus " Barokopera's ".

D. De eerste barokopera's van Monteverdi.

Claudio Monteverdi (1567 - 1643) is een typisch product van zijn tijd. Hierboven zagen we dat de opera " Euredice " van Peri één van de vroegste opera's was. Het verhaal dat hier wordt verteld is de mythe van Orpheus en Euredice. Orpheus daalde af in de onderwereld om zijn gestorven vrouw Euredice terug te halen. Deze mythe zal in de klassieke muziek ook nog regelmatig terug keren en gebruikt worden om als opera op het toneel  te brengen. Hoewel de opera van Peri van vroegere datum is wordt de opera " l'Orpheo " van Claudio Monteverdi als eerste mijlpaal in de geschiedenis van de opera gezien. Er zijn ook verschillend versies van. De eerste is van 1607 en de tweede van 1609. De eerste vond een nogal roemloos einde. De herwerkte  versie van 1609 was een beter lot beschoren en het is meestal deze laatste versie die nog altijd ten tonele wordt gevoerd. Van Monteverdi  zijn verder nog vijf opera's bewaard gebleven die nog repertoire houden of weder ontdekt worden, omdat de oude barokmuziek in onze moderne tijd terug in is en duidelijk veel aandacht krijgt van jonge vertolkers en musici, muziekpedagogen en orkestleiders die deze muziek bestuderen vanuit de bestaande archieven en dus met zowel nieuwe middelen oude instrumenten de klankkleur van de barokperiode opnieuw willen creëren voor het hedendaagse publiek. Deze trend wordt tegenwoordig zeer gesmaakt.

E. Claudio Monteverdi opera's.

1) L'Orpheo (La favola d'Orpheo) 1607

2) Arianna 1608

3) Il Combattimento di tancredi e Clorinda 1638

4) Il ritorno d'Ulisse in patria 1641

5) L'incoronazione di Poppea 1642

Claudio Monteverdi heeft natuurlijk veel meer opera's gecomponeerd dan deze vijf genoemde. Men heeft een vermoeden dat er nog 18 zouden zijn, maar de tand des tijds heeft er voor gezorgd dat ze verloren zijn gegaan en waarschijnlijk ook samen met nog veel ander composities. Gelukkig zijn deze vijf juweeltjes ons overgeleverd en kunnen we door al onze moderne technieken van deze overgebleven meesterwerken blijven genieten.

Deze opera's worden later bijzonder besproken in het hoofdstuk over de barok opera bij de componist Claudio Monteverdi.

F. Soorten opera's. 

1)  Oratorium.

De opera's op het einde van de 16° eeuw zijn eigenlijk ontstaan of voortgevloeid uit het oratorium.

Het oratorium is een omvangrijk werk met een geestelijke inhoud voor orkest zangsolisten en koor, waarbij veelal een verteller de drager is van de handeling en de muziekale gedeelten aan elkaar praat of zingt. In tegenstelling tot een opera heeft een oratorium geen decor en speciale kostuums en wordt er niet geacteerd op de scéne. Als een oratorium een lijdensverhaal van Christus als onderwerp heeft spreekt men van een passie : voorbeeld " Messiah " van Händel en - " Matthäus Passie " van Hohan Sebastian Bach.

Het ontstaan.

Reeds in 1551 stichtte de priester San Filipo Neri (1515 - 1595) te Rome een vereniging van priesters met als doel het godsdienstige peil van het volk omhoog te krieken. Er werden allerhande lezingen gehouden , die onderbroken werden met gezangen vooral geestelijke gezangen. (lauden genoemd) In 1563 worden de lauden vierstemmig en geleidelijk aan worden de lauden ingewikkelder en belangrijker met meer aandacht voor harmonie en melodie. Langzaam aan verschijnt het contrapunt in de lauden wat later de ruggengraat van de opera zal worden. De lauden worden tweedelig en dubbelkorig, daarnaast verschijnt ook de dialooglaude in de vorm van muzikale gesprekken. Het koor ktijgt een vaste plaats aan het einde van de handelingen, ideaal volgens de Griekse opvattingen, het vermaant, waarschuwt, trekt moraal uit het verleden en dringt aan op godsvrucht, inkeer en boete. Uit deze elementen ontstaat het Italiaanse oratorium.

Er was een verschil tussen het Italiaanse en het Latijnse oratorium. De Italiaanse oratoria hadden een gerijmde of poëtische tekst. Latijnse een prozatekst die nauwgezet de Bijbelse teksten volgden en qua karakter zeer religieus getint waren. De Italiaanse oratoria waren vrijer en wereldlijker van vorm.

Ook in Duitsland werden oratoria geschreven naar Italiaans model de bekenste componist is Heinrich Schütz ( 1585 - 1672) die na een studiereis door Italië in aanraking kwam met het werk van Monteverdi en dan ook diverse oratoria componeerde. Opvallend Schütz wisselt koor af met meerdere solisten.

In de 16°eeuw komt ook het groot ballet in bloei namelijk het " ballet de Cour " aan het Franse hof waar recitatieven, dialogen en koren worden afgewisseld met dansen. De meeste balletten zijn mythologisch of allegorisch en staan ten dienste van de vorst. In 1567 stichtte een Fransman Jean Antoine de Baïf (1532 - 1589) de " Academie de Musique et poesie " na zijn reis door Italië. Met de bedoeling een nauwere band te leggen tussen muziek en poézie. Door politieke ruzie en getouwtrek is hij er niet in geslaagd te Parijs een opera te stichten. De ontwikkeling van het oratorium en de Italiaanse opera versmelten zich gezamenlijk langs volgende punten:

1) Toneelstukken naar het voorbeeld  van het Griekse drama dus stof voor muziekdrama's ontleend aan de Griekse mythologie.

2) Tussen de twee verschillende delen werd er gezongen en ontstond er een mix van koor met begeleiding woord en muziek.

3) Later werd er ballet of dans aan toegevoegd. In het oratorium viel meestal de dans weg.

In het midden van de 17° eeuw ontstaan, de barokke Italiaanse oratoria, deze hadden in het algemeen geestelijke doeleinden, hoewel het nooit een onderdeel was van de liturgie.

Het dramatische oratorium, uitgevonden door Georg Friedrich Händel ( 1685 - 1759) , is muziekhistorisch gezien de belangrijkste uitvinding, dit fungeerde feitelijk als een opera en kon op het toneel worden gebracht. Een aantal van zijn oratoria waren gebaseerd op de Griekse en Romeinse mythologie. Deze werken waren soms seculiere of wereldlijke oratoria, zowel de religieuze als seculiere oratoria hebben een serieuze bedoeling. Met kooronderwerpen als de schepping van de aarde, het leven van Jezus of het leven van een Bijbelse profeet of held.

Sommige oratoria zijn in het geheel niet verhalend.Terwijl opera's gebaseerd zijn op een gedramatiseerd verhaal. Het doel van een oratorium is veel vaker de ordening en betekenis van een groot muzikaal werk.

Kenmerken.

Net als een opera heeft een oratorium een libretto en bestaat uit: een ouverture, verschillende aria's gezongen door vocale solisten, recitatieven gebruikt om de aria's en duetten aan elkaar te vertellen en een koorgedeelte ( zeer belangrijk) .

Voorbeelden.

Het bekendste oratorium is waarschijnlijk " De Messiah van Händel ( 1685-1795) met het beroemde " Hallelujah koor ". Andere bekende oratoria zijn " Weihnachtsoratorium " , het " Paasoratorium " , het " Hemelvaartoratorium, en de " Matthäus Passie " van Johan Sebastiaan Bach ( 1683-1750), "Juditha Triumphans " van Antonio Vivaldi (1678-1741) , " Die Schöpfung " en de " Die Jarhreszeiten " van Joseph Haydn (1732-1809)

In de 20° eeuw zijn er nog gecomponeerd die kunnen doorgaan voor een oratorium zoals onder andere " Oedipus rex " van Stravinsky (1882-1971) en " Jeanne d'Arc au Bûcher van Honegger (1892-1955) deze oratoria zijn voor het toneel ontworpen en zijn nauwelijks van een opera te onderscheiden. 

2)  Barokopera.

De barokopera is een opera die gecomponeerd is in een bepaalde stijlperiode tussen 1600 en 1750. Als stijl was het de opvolger van de Renaissance muziek. Gezien de tijdspanne van 150 jaar  hebben we binnen de barokmuziek verschillende ontwikkelingen in het operagenre. Zoals  de " Ballade- Balletopera ", de " Zarzuela " en de " Opera Seria " .

De barokmuziek en dus ook de barokopera kon bijzonder gedijën door de bloeiende muziekcultuur aan de diverse vorstenhoven. Veel rijke hooggeplaatste edelen hadden musici en componisten in dienst of fungeerden als hun mecenas. Veel hoogtijdagen en festiviteiten  werden opgeluisterd door speciaal voor die gelegenheid in opdracht gecomponeerde werken. Ook ten behoeve van de kerkelijke erediensten werden in het tijdperk van de barok nieuwe muziekvormen ontwikkeld.

Tientallen componisten componeerden honderden operawerken , maar vele hebben de tand des tijds niet doorstaan . Meestal zijn het belangrijkste en de meest populaire die repertoire hebben blijven houden. Voorbeeld: van Monteverdi vermoedt men dat hij een twintigtal opera's heeft gecomponeerd maar er zijn er ons maar vijf bekend en overgeleverd.

In de barokperiode is er ook een zeer grote ontwikkeling van het instrumentarium zoals de barokharp, de klavecimbel, de piano fortè, de triple harp, de viola da gamba, de viool, de cello, de blokfluit,de dwarsfluit, de bazuin enz......

Voorbeelden:

1) Italiaanse barokopera: " l'Orfeo " (1607) van Claudio Monteverdi (1567-1643)

2) Franse barokopera : " Atis " (1667) door Jean Batsite Luly ( 1632-1687)

3) Engelse barokopera: " Venus and Adonis " (1683) door John Blow (1649-1708) 

4) Duitse barokopera: " Orpheus " (1726) door Georg Philip Teleman (1681-1767)

3)  Balletopera .

Een balletopera is een operagenre waarin het ballet dusdanig verwerkt zit dat dans, zang en orkest een onverbrekelijk geheel vormen.

Het genre is ontstaan in Frankrijk aan het hof van Lodewijk XIV die een fervent liefhebber was van  dergelijke opvoeringen. De hofcomponist Lully en de blijspelschrijver Molière (1622-1673) combineerden zang en elementen uit de Franse tragedie, met het "Ballet du Cour "  en de elementen uit de Italiaanse opera, na enkele tijd waaide dit genre over naar andere koningshuizen.

Voorbeelden:

1) " Les Indes Galantes " (1735) van Jean Phillipe Rameau (1683-1764)

2) " Dido and Aneas "  ( 1689) door Henry Purcell ( 1659-1695) 

4)  Balladeopera .

De ballade opera is een Engels operagenre ( Balladopera) met zangspel en prozadialogen, dat zijn bloeitijd kende tussen 1650 en 1750. De liederen van het zangspel waren veelal aangepaste volkswijsjes en ander bekende populaire melodiën. De beroemdste ballade opera was " The Beggar's opera ( 1728) van John Gay (1685-1732) en Christopher Pepusch (1667-1752) dit was tevens een inspiratiebron voor Kurt Weil (1900-1950) en Bertolt Brecht (1898-1956)  voor het creëren van de " Driegroschenoper " (1928) . 

5)  Opera seria.

Opera seria is eigenlijk een " Drama per Musica " (drama op muziek). Dit is de meest gebruikte benaming voor elke opera sinds de opkomst van het operagenre in de 17° eeuw onder Claudio Monteverdi tot de jaren 70 à 80 van de 18° eeuw onder Wolfgang Amadeus Mozart( 1756-1791). Tegenwoordig worden deze opera's opera seria genoemd (serieuze opera). Dit is de naam die bijna nooit in de tijd zelf gebruikt werd. Dikwijls zullen er gesproken dialogen in voorkomen. Het is een soort heroïsche opera die vorm kreeg in Napels, Rome, Venetië, en Wenen en die zich eind de 17° eeuw ontwikkelde uit diverse stijlelementen. Het onderwerp van de opera is vaak afkomstig uit de Griekse - Romeinse mythologie of geschiedenis.

Voorbeeld:

Men beschouwt "  L'Orpheo " van Claudio Monteverdi als de eerste echte opera, in die tijd heette het echter " Favola in musica ". De voorstelling werd voor het eerst opgevoerd in 1607 tijdens de carnavalsdagen aan het hof van Franscesco Gonzaga IV Hertog van Mantua (1568-1612) . Na een muzikale opening ( nu noemen we dat een ouverture) toen sprak men van een " La musica " of een " Symphonia " treedt de verteller naar voren , die stond meestal tussen het orkest, die had toen geen podiumprestatie te leveren. Hij declameerde de tekst of zong die in recitatieven met orkest begeleiding. Monteverdi meende dat muziek in staat was de emoties te sturen.

Dit operagenre ontwikkelde zich in verschillende vormen maar werd nog lang zelfs tot in de 2° helft van de 18° eeuw toegepast. vb: bij Mozart's " Idomineo " (1781) en in " Die Entführung aus dem Serail " (1782) , en ook bij Christof Willebald von Gluck (1714-1787) met zijn " Orfeo et Euridice " (1762) en " Alceste " (1767) zelfs nog in Rossini's vroege periode met " La cambiale di matrinonio " (1810) en  " Tancredi  "(1813) .

6 ) Zarzuela.

De zarzuela is een Spaanse opera of operettegenre, enigszins gelijkend op de Franse " Opèra comique " en het Duitse " Singspiel " ontstaan in het midden van de 17° eeuw (1657) aan het koninklijk paleis " El Pardo " van koning Filips IV van Spanje.

Voorbeeld:

" La Clementina " (1786) door Luigi Boccherini die sinds 1778  het privé orkest van Don Luis ( de broer van Koning Karel III van Spanje) leidde, naar het libretto van de dichter Roman de La Cruz ( 1734-1794).

 http://markzarzuela.blogspot.com/2017/01/zarzuela-zarzuela-sarsuela-zarzuela_14.html 

Op deze blog linken van Mark Ackaert om een volledige info te krijgen van wat de Spaanse Zarzuele is, zelfs met verduidelijking door tal van muzikale fragmenten.

7)  Opera semiseria.

De opera semiseria is een operagenre waarin rollen, vormen en stijlen van de opera Seria en opera buffa samenkomen. De rol van een schurk werd meestal toebedeeld aan een edelman, en naast de persoonlijke tegenstelling wordt ook het sociaal conflict vertolkt door een figuur van een lagere sociale orde vb. in Mozart's  " La Nozze di Figaro " (1786) het spel tussen de Graaf Almavivo en de Figaro ( barbier). 

Een ander voorbeeld is " Nina pazza per amore " ( 1789) van Giovanni Pasiello (1740-1816)

" La Gazza Ladra " 1817) - van Gioacchino Rossini (1792-1868)

" La Sonnambula " (1833) van Vincenzo Bellini (1801-1835)

" Linda di Chamonix " (1842) van Gaetano Donizetti (1897- 1848) 

8)  Tragédie lyrique.

Een " tragédie lyrique", is een lyrische tragedie, ook wel tragedie " mise en musique genaamd " . Dit was het belangrijkste operagenre aan het Franse hof van de 17° en 18° eeuw. dit genre ontwikkelde zich door de componist  Lully aan het Franse hof van Lodewijk XIV uit de elementen van de Franse tragedie, het komische " Ballet du Cour " . Lully was een Italiaans componist aan het Franse hof en zijn verfranste  Italiaanse opera stijl werd verder gezet door Rameau. De onderwerpen kwamen meestal uit de Griekse -Romeinse mythologie.

De belangrijkste bestanddelen van de tragédie lyrique zijn de korte aria's en duetten, de declamatorische monologen en de intermazzi met pantomieme en dans.

Voorbeeld:

" Alceste" ( 1674) door Lully (1632- 1687)

" Dardanus " (1739) van Jean Philippe Rameau (1683-1764)

" David et Jonathas " (1688) door Marc-Antoine Charpentier (1643-1704) 

9) Opéra Comique.

Opéra comique( Frans voor komische opera) is een Frans operagenre dat in de 18° en 19° eeuw zeer populair was. Er is uiteraard verwantschap met de Italiaanse opera Buffa en de Duitse variant het Singspiel.

In de opéra comique worden de dialogen die de aria's verbinden gesproken. In de opera Buffa worden ze parlando gezongen. In de opera seria worden zogenaamde recitatieven gebruikt. In de 19° eeuw is de operette ontstaan uit de opéra comique, het genre waar Jacques Offenbach uitblonk.vb. " La vie Parisienne " (1866) . In die periode waren er nog beoefenaars van het operette genre, namelijk Andre Grétry en François Philidor.

Voorbeeld:  in de 19° eeuw werden de opéra comiques gecomponeerd door  François Adrien Boieldieu ( 1775-1834) met  " Le Calif de Bagdad" en  " La damme Blanche " (1823)

Daniel Auber (1782-1871) met " La muette de Portici " (1828)

Adolphe Adam (1803-1856) met  " Le Postillion de Longumeau ( 1836)

Hector  Berlioz (1803-1869) met " La damniation de Faust " (1846)

10) Singspiel.

Het Singspiel is een  Duits opera genre dat in de late 18° en vroege 19° eeuw populair was. De wortels van het genre liggen in Frankrijk bij de opéra comique. De bijzonderste kenmerken zijn dat ze gesproken dialogen hebben en geen recitatieven. Een van de bekendste singspielen is Mozart's " Bastien und Bastienne " (1768) de componist was toen amper 12 jaar oud. Ook Beethovens (1770-1827) enige opera " Fidelio " (1805 kan als Singspiel bestempeld worden.

11) Opera buffa .

De opera buffa komt op in Napels en later in Rome en Venetië. In het begin was dit opera genre  kort en komisch en bedoeld om in de pauze van een opera seria gespeeld te worden, als intermezzo. Een voorbeeld hiervan is " La serva padrona " van Giovanni Pasiello (1740-1816) , dit was een variatie op het gelijknamige werk van Giovanni Batista Pergolesie (1733). Op den duur legden componisten verband tussen deze kluchtige intermezzi en algauw ontwikkelde de opera buffa zich tot een zelfstandig en volwaardig opera genre. Het werd snel populairder dan de in verval geraakte opera seria en werd ook bekend buiten  Italië. In het midden van de 18° eeuw was de opera buffa zelfs het toonaangevend genre in Europa, een bekend voorbeeld " Le nozze di Figaro " van Mozart. 

Het hoogtepunt van de opera Buffa het populairste repertoire stuk " Il Barbiere di Siviglia " van Rossini met een laatste opleving aan het eind van de 19° eeuw met " Falstaff (1893) van Giuseppi Verdi ( 1813-1901).

Het verschil met de opera seria vond plaats in de alledaagse handelingen en de hoofdrolspelers waren gewone eenvoudige mensen. Hierdoor werd het verhaal realistischer en begrijpelijker gemaakt. De opera buffa was speelser en luchtiger en zelfspot was een belangrijk element. In tegenstelling tot de opera seria werd de opera buffa als een vrije muziekdramatische vorm opgevat. De eenvoud was ook terug te zien op muzikaal gebied. Zo bevatte de opera buffa uitsluitend partijen die door normale stemmen uitvoerbaar waren ( geen castraten meer bijvoorbeeld) Waar de opera seria gebruik maakt van hele hoge stemmen zoals castraten en sopranen maakt de opera buffa juist gebruik van hele lage stemmen( basso buffa - komische bas) . Ook kan de opera met vijf stemmen gezongen worden. Door deze contrastrijke eenvoud probeerde men de opera bij het gewone volk te brengen. Zo werd de opera buffa een volwaardige tegenhanger van de opera seria die vooral gespeeld werden voor vermaak van het hof en andere rijke mensen.

12) Belcanto opera.

Is een Italiaans opera genre dat grote betekenis kreeg halfweg de 19° eeuw en dat nog populair zou blijven tot begin de 20° eeuw.

Belcanto is Italiaans voor mooie zang. Belcanto kreeg  een meer specifieke betekenis toen het werd gebruikt om zich te onderscheiden van wat nu uitgegroeid is tot het traditionele Italiaanse  vocale model van krachtiger , minder rustige stijl van zingen. Deze nieuwe stijl van zang was ontstaan tegenover de 19° eeuwse opera's met de steeds meer en meer dramatische en pittiger performers tegen luider en dichter orkestrale begeleidingen in grote theaters. Het begrip " belcanto " verwijst naar de Italiaanse oorsprong van vocale stijl die het grootste deel van Europa beheerst in de 18° eeuw en bleef in een minder uitgebreide,maar nog steeds dominante vorm tot 1840. De kenmerken van belcabnto waren, een onberispelijk legato, gebruik van een lichte toon in de hogere registers, een wendbare flexibele techniek die in staat is om sierlijke versieringen snel en nauwkeurig uit te voeren. Men vermijdt ook de losse vibrato's. Het gaat meestal om een sympatiek en mooi gekleurd timbre, heldere dictie en een sierlijke frasering geworteld in een volledige beheersing van de ademcontrole.

Specifieke belcanto opera's vind men bij componisten zoals Gioacchino Rissini ( 1792-1868) Vicenzo Bellini (1801-1835) Geatano Donizetti (1797-1848) Giacomo Meyerbeer (1771-1864) . Typische voorbeelden van opera's : " Le Conte Ory " (1928) , " La Norma " (1831) , " Anna Bolena " (1830) , " L'Africane " ( 1864) . In het midden van de 19° eeuw ontwikkelde zich een krachtiger manier van zingen in de opera, vooral in Duitsland onder Richard Wagner (1813-1883) met als voorbeeld : " Der Fliegende Holländer " ( 1843) en " Lohengrin " (1850). De Italiaanse belcanto stijl van Rossini - Donizetti - en Bellini vervaagde in Italië naar het midden van de 19° eeuw toe. Het werd vervangen door een iets zwaardere , meer vurige en minder versierende benadering voor zingen van Giuseppe Verdi ( 1813-1901) , maar met een maximale dramatische impact. Voorbeelden van enkele Verdiwerken , " Nabucco " (1842) , " Ernani " (1844) , " Luisa Miller " ( 1849) , " Rigoletto " (1851) , " Aida " (1872), en " Otello " (1887).

13) Grand opera. 

Grandopera is een genre dat in Parijs ontstond en vooral vanaf 1830 werd beoefend. Een van de vroegste grand opera is van Gioacchino Rossini is " Guillaume Tell " (Parijs 1829). De belangrijkste vertegenwoordiger van dit genre waren Jacques Fromental Halévy (1799-1862) met zijn " la Juive " (1835) en Giacomo Meyerbeer( 1791-1864) met " Les Huguenots " (1836) en " L'Africaine " ( 1865), Hector Berlioz (1803-1869) met " Les Troyens " ( 1863). Ook Verdi werd door dit genre beïnvloed met " Don Carlos " (1867) en " I vespri Siciliani " (1855) en " Aida " (1872).

De meeste grand opera's zijn gebaseerd op historische onderwerpen maar werden uitgewerkt met spectaculaire toneeleffecten met aandacht voor briljante zangpartijen, weelderige kostuums en pakkende orkesteffecten. In de tweede helft van de 19° eeuw maakt de Duitse operageneraties een belangrijke evolutie door met de componist Wagner die de uitvinder wordt van de leidthema's en het " Sprechgezang " die neerkomen op doorgecomponeerde teksten. Deze Wagneropera's worden door een bijzondere kachtige stijl ondersteund. Hij richt zelfs speciaal voor zijn eigen opera's een speciaal ontworpen theater op te Bayreuth. Na het voltooien van zijn theater en zijn " Ring des Nibelungen " zullen er jaarlijks Festspiele plaats grijpen speciaal voor zijn eigen compositiewerken. Zijn megacompositie " Der Ring des Nibelungen " bestaat uit vier opera's " Das Reingold " , " Die Walküre " , " Siegfried " , en " Götterdämmerung " samen goed voor 15 uur podium, die gespreid over vier dagen .

Terzelfdertijd van die Duitse evolutie in de operawereld vloeit er uit de grandopera een zekere vorm van realiteitszin, met een soort modernisme die de romantische periode in de muziek uiteindelijk zal afsluiten.

Het " Verisme " de gepassioneerde eisen van de stroom Italiaanse Verismo vloeien voort uit de pennen van Giacomo Puccini (1858-1927) , Ruggiero Leoncavallo ( 1858-1919) , Pierto Mascagni ( 1863-1945) , en Umberto Giordano ( 1867-1948) . De realistische vorm zal heel populair worden tijdens de laatse decennia van de 19° eeuw en zal gerust blijven duren tot de twee erste decennia van de 20° eeuw. Deze vorm van opera zal eigenaardig genoeg repertoire blijven houden tot op heden, de ganse 20° eeuw door en tot ver in de 21° eeuw.

14) Veristische opera.

Verismo vertaald als realisme uit het Italiaans. Dit was een Italiaanse literaire beweging met als belangrijkste bezielers Giovanni Verga en Luigi Capuana, later uitgebreid naar muziektheatrale werken die tussen 1875 en 1910 hun hoogtepunt beleefden. Ze waren waren gebaseerd op het Franse realisme. In tegenstelling tot het Franse realisme dat gebaseerd was op positieve idealen, was de verismobeweging pessimistisch georiënteerd en vermeed ze de vermenging van eigen ideeën en meningen van de schrijver of componist. Verismo wordt ook gebruikt om in de opera bepaalde werken van componisten, vooral Pietro Mascgni, Ruggiero Leoncavallo en Giacomo Puccini te noemen. Het matrialisme van de schrijvers als Emile Zola en Henrik Ibsen gaven zij daarmee een plaats binnen de opera.

Verismo en de Veristische opera, wordt vaak verward en door elkaar gebruikt met naturalisme. Het was de Franse componist Georges Bizet (1838-1875) die met zijn opera " Carmen " (1875) het startschot gaf voor deze beweging.

De term " Verisme " doet wellicht nogal vreemd aan als het over opera gaat, omdat deze in het algemeen juist een weinig realistische indruk maakt. In een opera wordt tenslotte alles gezongen , en veel hoofdfiguren zijn verre van alledaags. Maar de term heeft vooral betrekking op de onderwerpen van de opera's in kwestie, deze gaan over het leven van " de gewone mensen " , in tegenstelling tot de eerdere of vroegere opera's, die historische of mythologische onderwerpen behandelden. Wat dit betreft zou Wolfgang Amadeus Mozart als eerste veristische componist kunnen worden beschouwd omdat hij ook vaak van " gewone mensen " hun lief en leed verwerkte in het verhaal van zijn opera's. De handelingen van de hoofdpersonages van veristische opera's zijn altijd emotioneel van aard. Twee uitersten - absolute complete liefde  tegenover extreem lijden , zijn vaak terugkerende thema's in veristische opera's, die zich dan ook kenmerken door heftige dramatiek en een overvloed van emoties.

Het realistische karakter van het verisme werkt in zoverre door in de muziek dat deze vaak één geheel vormt en niet zoals het geval is bij de nummeropera, gemakkelijk in aparte scénes is onder te verdelen. Daarbij hebben veristische melodieën  nooit een zuivere esthetische functie,  maar worden ze steeds gebruikt om een landschap , een gebeurtenis of de gevoelens van een personage uit te beelden of op te roepen. deze aanpak namen de veristische componisten  over van Richard Wagner die een grote invloed op hen had. Daarnaast hebben veristische opera's doorgaans veel pittoreske en folkoristische elementen, zoals dansen en regionale muziekvormen. Het libretto wordt gekarakteriseerd door realistische dialogen en de afwezigheid van tekstherhaling, strofes en coupletten worden een fijt. Ook zijn de teksten minder poëtisch van aard dan bij vroegere opera's.

Wat zijn de veristische kenmerken in de opera die meestal zijn gecomponeerd in de laatste twee decenia van de 19° eeuw. De scheidingslijn tussen een echte veristische opera, dus een opera met typische veristische elementen  en een naruralistische opera is niet altijd even sterk aan te tonen maar toch wel te bediscussiëren. Belangrijke voorlopers van het verisme en naturalisme waren opera's zoals " La Traviata " (1853) van Verdi en zoals eerder vernoemd " Carmen " (1875) van Bizet.

Als eerste echte veristische opera wordt algemeen, de opera van Pietro Mascagni " Cavalleria Rusticana (1890) , en de in 1892 gecomponeerde  " I Pagliacci " van Ruggiero Lenoncavallo beschouwd. Door hun relatieve korte speelduur is het een traditie geworden deze twee opera's op dezelfde avond uit te voeren. Deze twee opera's spelen  in het echte leven, bij de laagste volksklasse of de aan lager wal geraakte middenklasse , er wordt aardig wat overspel  en familievetes en opvoedingsproblemen  met kinderen, werkloosheid, uitzichtloosheid, verslaving en dronkenschap in behandeld. Een echte veristische opera heeft ook tussen de aktes of scénes vaak een instrumentaal intermezzo van 3 à 5 minuten dat soms een dramtische functie heeft. Naast deze hogergenoemde opera 's vinden we ook Francesco Celea's (1866-1950) " L'Arlesiana " (1898) , Umberto Gardano's (1867-1948) "Adriana Lecouvreur (1907)en Andrea Chenier (1896) en Fedora " (1898) , van Riccardo Zondanai (1883-1944) " Conchita " (1910), Leoncavallo's (1857-1919) " La bohème ( 1897) en " Zaza " (1900) van Mascagni (1863-1945) . De " La Bohème " (1896)  van Leoncavallo was in grote concurentie met Puccini's ( 1858-1924) " La bohéme " (1895)  het is Puccini's werk dat het best repertoire heeft gehouden.

Er zijn ook opera's met veristische elementen die in een beter millieu afspelen, de emoties zijn subtieler en de onderwerpen zijn nogal eens bij de klassieke wereldliteratuur te zoeken. De hysterie uit de echte veristische werken zijn gedempt of afwezig, deze opera's kennen ook vaak nog een nummerachtige opbouw en de theatraliteit is opgesmukt. Zo kennen we Verdi's " La traviata " naar het werk van Alexander Dumas " La dame aux Camélias "en Tchaikofsky's ( 1810-1893) " Eugen Onegin " (1879) . De werken van Giacomo Puccini ( 1858-1924) zoals " La boheme ( 1896)  , Tosca " (1900) , en zijn " Madama Butterfly " ( 1903)  zijn subtiler en kwalitatief sterke werken die vanwege die subtiliteit zich beter onderscheiden van de echte veristische opera . " Turandot " (1924) staat ter discissie als verismo-opera omdat het op een sprookje van Gozzi is gebaseerd en nauwelijks voor te stellen is als een realistisch verhaal.

Ook in Frankrijk kende men veristische werken van Jules Massenet ( 1884-1912) " Werther " (1893) " Manon " (1881) en Gustave Charpentier ( 1860-1956) zijn " Louise " (1900) . De meeste van deze opera's zijn gebaseerd op grote literaire werken van naturalistische schrijvers en kunnen dus als naruralistische opera's worden beschouwd. We ontdekken meer driedimensionale onderwerpen , een wereld zonder geesten en spoken, een concentratie van hedendaagse onderwerpen. Uit bovenstaande vergelijkingen kunnen we concluderen dat Mozart, Bizet, en Verdi strikt genomen  niet echt veristische opera's componeerden, maar vaak zonder dat zij zich in dit vakje lieten stoppen toch naturalistisch getinte werken hebben gecomponeerd. Bij Mozart is het sowieso uitgesloten omdat toen van deze naturalistische maatschappij of beweging nog geen sprake was.

15) Muziekdramma.

Een muziekdrama, of een muzikaal drama , is een operagenre dat in het algemeen verwijst naar alle serieuze of semi-serieuze operawerken. Tekenend voor de invloed van vernieuwende opera's door Richard Wagner (1813-1883) is, dat zijn naam hiermee verbonden is. Wagner zag zijn opera's als een " Gesamtkunstwerk " waarin muziek, drama , schilderkunst en poëzie tezamen een volledig kunstwerk moet vormen. Voor die tijd waarin Wagner leefde, betekende  dit een gloednieuwe " Kunstvorm ".

Enkele opera's van Wagner zijn " Rienzi " (1842) , " Der Fliegende Holländer " (1843) , " Tannhauser " ( 1845) , " Lohegrin " (1850) , " Tristan und Isolde " (1865) , " Die Meistersingers von Nürnbergh " (1865) , zijn cyclus " Der Ring des Nibelungen " (1870) , en " Parsifal " (1882).

Het  merkwaardige aan Wagners composities is, in tegenstelling tot de meeste operacomponisten, dat hij zowel het libretto als de muziek schreef voor zijn muziekstukken.

Wagners kenmerk in zijn opera's zijn de leidmotieven en de doorgecomponeerde teksten.

16) Operette.

Een operette ( letterlijk " kleine opera " ) is een vorm van muziektheater dat erg lijkt op de opera, hoewel de onderwerpen vaak minder serieus zijn. De muzikale nummers ( aria's , duetten , ensembles en koren) worden door gesproken dialogen aan elkaar verbonden.

De operette ontwikkelde zich rond het midden van de 19° eeuw, als antwoord op de steeds langer en serieuzer wordende Franse opéra comique. De toevoeging was rond dezelfde tijd een rekbaar begrip in de opera. Voorbeeld 1875 opera " Carmen " is duidelijk een opéra comique met een tragisch plot. Comique staat hier voor een opera met gesproken dialogen zoals in de vroegere opera seria waar parlando gesproken werd ( half gezongen half gesproken ) .

Jaques Offenbach (1819-1880) wordt algemeen gezien als de grondlegger van het genre en zijn " Orfeo aux enfers " ( 1858) wordt als zijn eerste operette aanzien. Hij vond in Frankrijk navolging door Charles Lecoq (1832-1918) , Edmond Audran (1842-1901), en Robert Plaquette(1848-1903) , die zich toelegde op romantische onderwerpen.

Franz von Suppé vertaalde Franse operette naar de Weense traditie, maar het was Johan Strauss jr. ( 1825-1899) die de belangrijkste operettecomponist werd in de zogenaamde  " Gouden " periode. Zijn eerste operette die het levenslicht zag was " Die Fledermaus " (1874) -ander componisten uit die tijd waren Karl Millöcker (1842-1899) , Karl Zeller (1842-1898) en Richard Heuberger (1850-1914). De Weense traditie werd voortgezet door Franz Lehar (1870-1948), Oscar Strauss (1870-1945), Leo Fall (1873-1925) en later in de tweede helft van de 20° eeuw Robert Stolz (1880-1975) en Emmerich Kàlmann (1882-1953) die werd de componist bij uitstek van de Hongaarse operette, met " Die Csàrdàsfürstin " (1915).

Luide Franz Lehàr luidde de " Zilveren periode " in waarin de de dans een belangrijk onderdeel was in iedere operette ( cancan bij Offenbach en de Wals bij Strauss) . De Weense operette past in het tijdsbeeld van de 2° helft van de 19° eeuw waarin het " Burgelijke Gezelschaft met de bijkomende  Victoriaanse moraal de toon aangeeft. Geheel in de lijn met de romantiek worden elementen als standenverschil, overspel, de gemanierde etiquette van de nouveau riche daarbij doorgaans op luchthartige wijze aan de kaak gesteld.

Kurt Weill (1900-1950) ontwikkelde van uit de operette met zijn " Dreigroschenoper " zijn geheel eigenstijl. De Engelse operette kan men in twee namen samenvatten Gilbert en Sullivan .

Uit de operette ontwikkelde zich het genre musical. De musical ontwikkelde zich vanuit de Berlijnse - Revue - operette naar de Engelse of Amerikaanse " Musical comedy " voorbeeld Jerom Kerns(1885-1945) " Show Boat " (1927)  werd gezien als een van de eerste musicals. Lijkt in structuur en compositie nog sterk op een operette, maar is het eerste werk waarin muziek, tekst en dans volledig in dienst staat van de handelingen. Toch is de operette ook in Broadway naast het musical genre blijven bestaan . Als sprekend voorbeeld van een Weense operette op Broadway wordt genoemd " Rose Marie " (1924 van Rudolf Friml 1879-1972) beter bekend als " Indian Love Call " .

17) Musical.

Musicaltheater is een vorm van theater die muziek, liedjes, gesproken dialogen en dans combineert. Het emotionele deel  van het stuk , humor , passie , liefde , woede en ook het verhaal op zich worden gebracht door woorden, muziek, beweging en de technische aspecten  zoals entertainment is een geïnspireerd geheel . Sinds het begin van de 20° eeuw worden musicaltheaterstukken  kortweg musical genoemd.

De eerste musicals werden aan het eind van de 19° eeuw in New York geproduceerd. Het genre kwam voort uit de veaudeville en de revue traditie, met als belangrijkste verschil dat musicals een doorlopend verhaal hadden. Daarmee was de musical eveneens verwant met de operette. 

Er zijn dan ook verschillende producties  die als eerste  musical in de geschiedenis worden beschouwd." The black Crook " uit 1866 wordt vaak genoemd, maar velen beschouwen " Show Boat " ( 1927) als de  grootste en allereerste. Blijkbaar roept het woord musical vooral associatie op met de twintigste-eeuwse groteske Amerikaanse showmuziek. Bij musicalachtige producties die afstand nemen van die geijkte traditie duiken in Amerika al snel termen als rockopera, revue of cabaret op. Broadway in New York en vanaf de jaren 1960 West End in Londen staan internationaal bekend als toonaangevende plaatsen op musicalgebied. Bekende musicals zijn " Hair , Cats, Les Miserables , Evita , Phantom of the Opera , The lion king en Chicago ".  " Porgy en Bess " (1935) van Georges Gershwin (1898-1937) is eigenlijk een opera die in 1957 een prachtige verfilming kent met Sidney Poitier, Dorothy Dandridge, Sammy Davis jr. en Pearl Bailey in de hoofdrollen onder de leiding van André Previn. In de jaren zestig krijgen we " Kiss me Kate en My Fair Lady " die alle zeer populair werden.

Musical in Vlaanderen.

In Vlaanderen zijn er in het verleden veel grote musicals gespeeld, maar door het feit dat de minister van Cultuur de musicalsubsidies in 2007 schrapte viel deze wereld in een zwart gat. Hierdoor mocht de musicalafdeling van het " Koninklijk Ballet van Vlaanderen " onder de leiding van Linda Lepomme de boeken sluiten. Het produceren van musicals werd nu veel kostbaarder dan voorheen. De enige productiehuizen die misicals op dit moment zelf produceren zijn "Studio Honderd " en " Stay  Entertainment Belgium ", " Music Hall Promotions werkt voorlopig samen met V & V Entertainment " om Vlaamse musicals uit de grond te stampen. Tussen 2006 en 2007 liepen succes musicals " Mamma Mia " en " The Beauty and the Beast " van Stage Entertainment en medio 2007 werd Kuifje: "Zonnetempel "met onder andere Jelle Cleymans een groot succes. In 2008 plande  Studio 100 zijn prestige project " Daans " als musical met enorm succes. De nieuwste productie over  oorlog 1914-1918 is momenteel de grootste megaproductie in Europa.

18) Radio-opera.

Een radio-opera is een operagenre dat vanaf 1920, met de opkomst van de radio, speciaal voor uitzending op de radio gecomponeerd is . Voorbeelden van radio-opera's zijn :

" Der Lindbergflug " ( 1929) van Berthold Brecht, Kurt Weill en Paul Hindemith (1895-1963)

" Colombus " ( 1932) van Werner Egk (1901-1983)

" Das Ende einer Welt " (1953)van Hans Werner Henze (1926-2012) 

19) Kinderopera.

Het kinderopera genre, is qua enscenering en opvoering afgestemd op de belevingsgeest van kinderen. Binnen dit genre zijn er globaal drie categorieën aan te geven.

1) Opera composities waar de enscenering voor kinderen kan aangepast worden. " Die Zauberflöte " van Mozart en " Der Freischütz " van Weber.

2) Composities zowel gecomponeerd als geënsceneerd voor kinderen. " Help, help the Globelinks " van Menotti en " L'Enfant et les sortilèges van Ravel.

3) Operacomposities , zowel gecomponeerd als geënsceneerd voor kinderen, maar uitgevoerd door kinderen, " Wir bauen eine Stadt " van Hindemith en " Der jasager " van Bertold Brecht en Kurt Weill. 

20) Kameropera.

Een kameropera is een operagenre dat uitgevoerd wordt op kleinere schaal dan gebruikelijk is bij opera, waardoor een intiemere vorm van opera verkregen wordt. De uitvoering geschiedt meestal door een kleiner gezelschap samen met een bescheiden kamerorkest en is bedoeld voor kleinere theaters in meer privé sfeer.

Hoewel de oorsprong van de kameropera terug gaat tot de 17° eeuw, wordt zij meestal verbonden met de 20° eeuwse opera's .Voorbeelden : " Ariadne au Naxos " (1916) Richard Strauss, " Cardillac " (1926) van Paul Hindemith, " The Rake's Progress ( 1951) van Igor Stravinsky en " The Turn of the Screw " (1954) van Benjamin Britten.

21) Rockopera.

Een rockopera of rockmusical is een muzikale productie in de vorm van een opera of een musical. Deze vertoont meer gelijkenissen met de moderne rock'n roll, dan met de originele vormen. Het verschilt van de gewone albums, omdat deze nummers bevatten die zonder plot of verhaallijn niets met elkaar te maken hebben, maar toch met elkaar verbonden worden door middel van conceptalbums en liederreeksen. Een ietwat recentere ontwikkeling op dit gebied is de rap-opera  en de hiphop-opera.

1) Belangrijke rockopera's voornamelijk bekend als studioalbums:

" The Pretty Things " SF Sorrow (1968)

" The Who " Tommy (1969) 

" The Wall " Pink Floyd (1979)

" American Idiot " Green boy (2004)

2) Rockopera's bekend als theaterproducties of als filmproducties:

" Hair " James Rado, Gerom Ragni en Galt Macdermot (1967) een thematische benadering van de hippiecultuur in de jaren zestig van de vorige eeuw.

" Jesus Christ Superstar " Tim Rice en Andrew Lloyd Webber (1970)

" Evita " Tim Rice Andrew Lloyd Weber ( 1976)

" Rent " Jonathan Larson (1996) Een moderne interpretatie van Giacomo Puccini's " La Bohéme " in een New Yorks jasje.

De muziekfilm.

Het is duidelijk dat de film een gans ander medium is dan het theater. Dit is te vergelijken met een voetbalmatch bijwonenen in een stadion, bevoorbeeld de match van de Rode Duivels op het WK in Brazilië tegen de Amerikanen, deze match zien op TV in de huiskamer of er live bij zijn op het veld. De ambiance op het veld is toch niet te vergelijken met wat men in beperkte familiale kring meemaakt in de huiskamer. Daar staat wel tegenover dat je de match beter van op de eerste rij kan volgen voor televisie dan op het veld.

Ik herinner me nog: in 1968 ging ik naar een voorstelling in de Koninklijke Opera van Gent van "La juive" van Halévy met in de hoofdrol Tony Poncet, op dàt moment de publiekslieveling van het Gentse operapubliek. Toen hij zijn tenoraria in de vierde akte had gezongen,  veerde het publiek recht en gaf hem een staande ovatie, hij kreeg niet meer dan 8 opendoekjes en moest zijn aria bisseren. Na afloop van de voorstelling opnieuw een daverend applaus nu voor de ganse cast samen met het koor en de figuranten niet minder dan 20 opendoekjes, dit is atmosfeer die je alleen beleeft als er bij bent.

Ik kan me het gevoel voorstellen op het veld met de Rode Duivels als ze de winnende doelpunten scoorden tegen de Amerikanen.

Muziekfilms zijn dikwijls biografische films rond componisten van klassieke muziek, opera, ballet, musicals of van legendarische uitvoerders. Films waar de muziek, dit kan zowel klassieke- of jazz- of popmuziek zijn, enkel als soundtrack gebruikt wordt of tenzij het om een verfilming van een opera of operette of musical gaat. Hier zijn wezenlijk terug een ganse reeks soorten of categorieën. Bevoorbeeld: bluesfilms, jazzfilms, dansfilms, musicalfilm, operafilms, operettefilms, en nog veel meer, een volledige lijst vind je op het internet terug onder Wikipedia. Het zijn deze laatste drie waarnaar onze aandacht uitgaat.

1) De biografische film.

Hier hebben we enkele mooie Belgische voorbeelden.

a) " Le maitre de musique " van de regiseur Gérard Corbiau met in de hoofdrol de                   Belgische bas-bariton  José Van Dam van (1988). Deze film gaat over een operavedette die       op het einde van zijn carrière de privéleraar wordt van een operaduo dat hij klaarstoomt       om in de harde wereld van de muziek te stappen waar hij juist afscheid van genomen         heeft.

b) " Farinelli " (1994) van dezelfde regiseur Gérard Corbiau. Deze film is een historisch-             biografische dramafilm over het gedramatiseerde leven van de castraat " Farinelli"

c) Ook nog van dezelfde regiesseur " Le roi Danse " een biografische prent over het leven van    de Italiaanse componist Jean Baptiste Lully aan het Franse hof ten tijde van Lodewijk XIV,      de zonnekoning.

d) Een vierde mooie film " The Red Violin " de geschiedenis van een historische viool door de     eeuwen heen van haar ontstaan tot in het museum. een film van ( 2000).

2) De musicalfilm.

De muzicalfilm ligt meer aan de basis van de historische filmindustrie, omdat men hier uitgaat van de eerste sprekende film die zijn oorsprong vindt in 1927 met de allereerste geluidsfilm " The Jazzsinger " met Al Jolson, hier wordt voor het eerst met gezongen muziek gewerkt. Pas in 1928 gaven de Warner Brothers een release uit van een volledig gesproken film " Lights of New York ". De eerste film die kan worden omschreven als een filmmusical is " Broadway Melody " van Harry Baumont in 1929. Vanaf de jaren dertig werden er meer films in omloop gebracht en waren de dansfilms van Fred Astaire (1899-1987) met zijn ritmische koppeling van beeld en geluid niet meer weg te denken in de musicalwereld. Er zal nog een belangrijke ontwikkeling plaats vinden in de jaren veertig en vijftig met als hoogtepunt de " Wizard of OZ " (1939) " Meet me in St.Louis " (1941) en " Singing in the rain " in 1952.

Toch werden er in de  jaren zestig van vorige eeuw nog bestsellers ontwikkeld zoals " The sound of Music " die ook als een klassieker wordt beschouwd. In 1978 " Grease " met John Travolta , in 2001 " Moulin Rouge " en " Chicago " in 2002 en één van de meest recente musicals in 2004 " The Phantom of the opera ".

De Operafilm.

Het is pas na de tweede wereldoorlog dat men pogingen onderneemt om opera's te verfilmen, niet in het theater maar in de muziekstudio's. De muziek en zang worden afzonderlijk opgenomen en achteraf door montage gesynchroniseerd met de beelden wat we dubben noemen. Deze techniek had bepaalde voordelen, men kon fragmenten of scénes heropnemen om te verbeteren om tot een perfect geheel te komen, zowel bij het acteren als bij de muziek en het zingen. Dit had zijn voor- en nadelen. Dikwijls werden zangers door andere acteurs gedubd, wat de ware operaliefhebber dikwijls niet in dank afnamen.

a) Het eerste grote succes was nu wel niet direct een echte operafilm maar meer nog een biografische film over het leven van een van de grootste tenoren uit de twintigste eeuw, de eerste grammofoonster van het begin der 20° eeuw " Enrico Caruso " (1873-1921). Deze rol viel Mario Lanza te beurd. De film van 1951 had een verbluffend succes , regie bij Richard Thorpe en productie bij Goe Pasternak. Het was Mario Lanza's derde film.

b) Van 1955 tot 1959 volgden nog tal van populaire operafilms zoals " Il Trovatore ", " Rigoletto " , " Madame Butterfly " , " Il Barbieri di Seviglia " en nog vele andere alle met tijdgebonden vedettes zoals Carlo Bergonzi, Gino Becchi , Mario Del Monaco, Anna Moffo, Renata Tebaldi, Ettore Bastianini, Carlo Zampigi en nog vele anderen. Deze films waren allen nog theatraal door de decors en de studio opnames.  Men was toch op zoek naar een andere manier van opnemen.

c) Na 1960 zou de techniek totaal veranderen en zouden er ware meesterwerken ontstaan, die geen enkel uitstaans meer hadden met de theateropnames van weleer. Opnames buiten in de natuur geven de opera een gans andere dimensie als in het theater en het zullen ook die beelden zijn die de toeschouwer zullen boeien samen met de muziek en zang. Het medium nadert zijn perfectie vooral de eerst volgende Verdiprent " La Traviata " regie Mario Lafranchi ( 1968) met als zangers in de rol van Violetta Anna Moffo, Alfredo door Franco Bonisolli en Gergio Germont door Gino Becchi.

d) Een volgend meesterwerk zou de Mozartopera worden " Don Giovanni " (1978) met Ruggero Raimondi, Kiri Te Kanawa , José Van Dam, Teresa Berganza, Lorin Maazel als dirigent en de regie door Joseph Hosey

e) 1982 zou vruchtbaar zijn met twee grote Verdiwerken. Terug " La Traviata" met Stratas, Domingo, en MacNeil een Metropolitan productie onder de leiding van James Levine en de regie van Franco Zefferelli, een prachtig werk met zeer poëtische en romantische beeldvorming. De tweede sterfilm is " Rigoletto" met Wixell, Pavarotti, en slovaakse sopraan Gruberova , de muzikale leiding ligt bij Riccardo Chailly en de regie is van Jean-Pierre Ponnelle.

In 1984 zou een waar meesterwerk volgen niet echt een operafilm maar meer en muziekfilm van de bovenste plank die zou uitgroeien tot dé klassieker van de eeuw " Amadeus " Dit is een aangrijpend menselijk drama, een visueel overweldigend historisch epos, als een heerlijke ode aan de muziek van Mozart. Hij zou niet minder dan 8 Oscars in de wacht slepen waaronder de " Beste film " 1984 . Nooit eerder heeft een muziekfilm een derglijke score behaald.

Tegenwoordig kan men de muziekfilms onderbrengen in tal van genres: bluesfilms, jazzfilms, concertfilms, pop en rockfilms, balletfilms enz... een volledige lijst vind je op het internet onder Wikipedia. Daar zijn meer dan 400 bladzijden artikels beschikbaar, daar vind je zowel de geschiedenis als de beschrijving van het filmmedium terug.

Eén ding is zeker de operafilm zal nooit de sfeer van het theater kunnen evenaren, juist zoals bij een voetbalmatch op TV je nooit de sfeer van op het veld kan beleven.  

Il Ritorno d'Ulisse in Patria - Claudio Monteverdi - Glyndebourne opera festival 1973 Janet Baker & Benjamin Luxon

" Euredice " Jacopo Peri - Insbruck barokfestival 2013

L'incoronazione di Poppea - Claudio Monteverdi - Glynbourn festival 2008 - Danielle De Niese & Alice Coote

L'Orpfeo van Claudio Monteverdi - Ballet uitvoering - De Munt - Brussel 2013